
> In het kader van de opvolging van de federale klimaatwet van 15 januari 2024, brengt de dienst klimaatverandering een voortgangsrapport uit. Dat maakt de jaarlijkse balans op van het gevoerde beleid van 1 maart tot 1 maart van het volgende jaar. Door de wettelijke invoering van de beleidscyclus behandelt het huidige rapport de periode van 1 juli 2024 tot 1 maart 2025.
> In het kader van die werkzaamheden heeft minister Jean-Luc Crucke, in een brief van 17 oktober de FRDO in samenwerking met de andere federale adviesraden, waaronder de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), gevraagd om tegen 15 december 2025 een advies over de inhoud van het rapport te coördineren en uit te werken. De raden[1] krijgen uitstel tot 31 januari 2026.
De Raden onderstrepen dat de klimaaturgentie een versterkte, zowel verticale (federaal-regionaal) als horizontale, coördinatie van de verschillende beleidsniveaus in België vereist om ervoor te zorgen dat de acties elkaar versterken via met name systematisch overleg tussen de beleidsniveaus, gezamenlijke impactbeoordelingen van de maatregelen en gemeenschappelijke indicatoren voor de opvolging van de nationale doelstellingen. Ze nodigen ook het parlement uit om de samenhang tussen de Europese klimaatdoelstellingen en de op federaal niveau genomen maatregelen te controleren.
De Raden pleiten voor een langetermijnvisie op de klimaattransitie, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met het respecteren van de milieugrenzen, het “gelijke speelveld” inzake concurrentievermogen, de energiebevoorradingszekerheid, de sociale rechtvaardigheid en de rechtvaardige transitie.
De Raden betreuren dat het voortgangsrapport de werkelijke stand van de genomen beleidsmaatregelen niet volledig weergeeft. Ze herinneren eraan dat alle federale maatregelen uit het Nationaal Energie- en Klimaatplan systematisch moeten worden opgevolgd en ze onderstrepen dat het beleid van adaptatie aan de klimaatverandering onvoldoende aan bod komt.
Ten slotte spreken de Raden hun grote bezorgdheid uit over het verschil tussen de vereiste emissiereducties om de doelstellingen van 2030 te halen en de verwachte impact van de huidige federale maatregelen. Ze constateren grote vertragingen in diverse sleuteldomeinen (mobiliteit, gebouwen enz.), verwarring tussen doelstellingen en concrete maatregelen en een tekort aan mensen en budgettaire middelen. Ze bevelen derhalve een striktere en meer gedetailleerde opvolging van het beleid aan, met voor elke maatregel duidelijke doelstellingen, een welbepaald budget, precieze termijnen, gedefinieerde verantwoordelijkheden en een evaluatie van de reële impact op de uitstoot van broeikasgassen.