
Omdat het begrotingswerk opnieuw zal moeten worden opgepakt en waarschijnlijk uitgebreid, en gezien de weloverwogen uitspraken van de Premier over de noodzaak om een versnelling hoger te schakelen wat betreft het saneren van onze overheidsfinanciën, volgen hier enkele economische overwegingen over de btw.
In internationale vergelijkingen wordt België gekenmerkt door een hoger geconsolideerd belastingniveau als aandeel van het BBP, wat doet vermoeden dat men vooral aan de uitgavenkant van de overheid moet kijken om te besparen. Toch, bij gebrek daaraan, benadrukken we, “bij gebrek” aan mogelijkheden om uitgaven te verminderen, dat het beter is om de inkomsten te verhogen dan om de overheidsschuld te laten groeien aan een onhoudbaar tempo. Op basis van internationale benchmarking valt op dat België een hoog effectief tarief kent op arbeidsinkomens, wanneer personenbelasting (personenbelasting op inkomsten) en sociale bijdragen worden gecombineerd; incidenteel zal het feit dat er twee indexeringsplafonds van 4000 EUR zijn, dat tarief nog met de helft doen toenemen (het saldo is een niet-uitgave ten voordele van de werkgever). Daarentegen lijkt de belasting op vervuiling in België laag, en ruimer genomen is de consumptiebelasting proportioneel lager in België dan in het buitenland. Het is daarom heel zinvol om te onderzoeken of een verhoging van accijnzen op fossiele brandstoffen en, het onderwerp van vandaag, de btw, mogelijk is.
De btw wordt vaak gezien als een antisociale belasting. Ze wordt toegepast tegen een proportioneel tarief, terwijl de personenbelasting een progressieve schaal kent. Bovendien geldt de btw enkel op het geconsumeerde deel van het inkomen, waardoor sparen vrijgesteld wordt. Dit tweede argument moet genuanceerd worden: het klopt dat sparen aan btw ontsnapt, maar op het moment dat het spaargeld en wat het genereert – intrest, dividenden en meerwaarden – geconsumeerd worden, is wel btw verschuldigd. Wat het eerste argument betreft, moet een relativeringskader toegevoegd worden. Warren Buffett is bekend geworden doordat hij liet weten dat het belastingtarief op zijn inkomen lager was dan dat van zijn secretaresse. Dus, met de mogelijkheden tot fiscale optimalisatie, althans voor de hoogste inkomens, is het niet zeker dat de personenbelasting effectief progressief is. Bovendien hangt het antisociale karakter van de btw af van wat er gebeurt met de btw-inkomsten of wat er zou gebeuren zonder die inkomsten.
Als btw-verhoging sociale herverdelingsmaatregelen kan beschermen, wordt btw plotseling een zeer prosociale maatregel.
Dan rijst de vraag over de btw-tarieven. De landen van de Europese Unie mogen slechts één “normaal” tarief hanteren, met een minimum van 15% – om een belastingconcurrentieslag naar het laagste tarief te vermijden – en een verlaagd tarief, in België 6%, met een gedoogbeleid voor de tijdelijke handhaving van een tussentarief, of “parkeertarief”, bij ons 12%.
Waarom een verlaagd tarief, of zelfs twee? De eerste verklaring is sociaal: de prijzen van basisbehoeften beletten stijgen, zoals voeding. Dit is echter op drie vlakken niet overtuigend.
Als de linkerzijde een btw-verhoging die antisociaal wordt geacht, niet graag ziet, is het rechts ook niet omdat die de inflatie en dus de loonindexatie versnelt. Uiteindelijk zouden het de werkgevers zijn die economisch de btw-verhoging dragen. Dit argument lijkt juist, maar is dat niet echt op lange termijn wegens de impact op de loonkostmarge. Een versnelling van de inflatie zal simpelweg de extra marge voor de tweejaarlijkse loonsverhogingen verkleinen.
Al bij al verdient het verhogen van de btw en in het bijzonder het optrekken van het verlaagd tarief, van 6 naar 7 of 8%, serieuze overweging.