• FR
  • NL
  • EN

Programmawet van 23 februari 2026: de hervormingen van Titel 2 „Financiën” ontcijferd (Doc 56 1378/001)

Van de verdubbeling van de belasting op effectenrekeningen tot de herziening van de liquidatiereserve, het VVPRbis-regime en auteursrechten — kritische analyse voor fiscaal-juridische en financiële professionals.


Inleiding

Op 23 februari 2026 diende de Belgische federale regering bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers een programmatorische wetsvoorstel in1 (hierna « PLP ») met het verzoek om spoed in toepassing van artikel 51 van het Reglement. Deze tekst van 735 pagina’s, opgebouwd uit zeven titels, bevat in Titel 2 met de naam « Financiën » een reeks fiscale bepalingen met aanzienlijke impact voor ondernemingen, investeerders, beroepsbeoefenaars en werkgevers. De gevraagde spoed impliceert een bijzonder snelle goedkeuring en inwerkingtreding, wat een voorafgaande, noodzakelijke analyse vereist voor elke praktijkvoerder die de belangen van zijn cliënten wil beschermen.

Titel 2 is verdeeld in twee hoofdstukken. Hoofdstuk 1er brengt wijzigingen aan in de Diverse rechten en taksen Code2 (hierna « CDTD »). Hoofdstuk 2 introduceert drie reeksen wijzigingen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 19923 (hierna « WIB 92 »), die het auteursrechtenstelsel, de liquidatiereserve en het VVPRbis-regime, evenals vrijstellingen van inhouding van bedrijfsvoorheffing, beïnvloeden. De memorie van toelichting benoemt zonder ambiguïteit de hoofdzakelijk budgettaire bedoeling achter deze maatregelen. Deze transparante wetgevende positionering is nuttig voor de interpreterende instanties, aangezien ze het intentio legislatoris afbakent dat de rechtbanken en de fiscus in toekomstige geschillen kunnen aanhalen.

Het is belangrijk om meteen te melden dat de Raad van State, Afdeling Wetgeving, een kritisch advies heeft uitgebracht over verschillende kernbepalingen van de PLP4. Deze kritiek — onder meer inzake de materiële terugwerkende kracht van bepalingen rond de liquidatiereserve en de onduidelijkheid van maatregelen betreffende auteursrechten — werd door de regering niet (of onvoldoende) meegenomen. Het vormt desalniettemin een sterk juridisch signaal dat praktijkvoerders in een geschilperspectief in acht moeten nemen.


I. Wijzigingen aan de Diverse rechten en taksen Code

A. Belastingsrechten op het instappen in een luchtvaartuig (art. 2 tot 4)

De belasting op het instappen in een luchtvaartuig raakt passagiers die opstijgen van een Belgische luchthaven. De PLP voert vanaf 2027 een progressieve herziening van de tarieven door, met een uitdrukkelijk budgettaire doelstelling5. Artikel 15 van het Chicago-verdrag6 wordt gerespecteerd (gelijke behandeling tussen nationale en buitenlandse luchtvaartuigen). Het Grondwettelijk Hof had in zijn arrest van 30 november 20237 een eerdere wetgevingsformulering met milieudoelstelling gesanctioneerd; de nieuwe tekst trekt lering uit dit arrest door een expliciete budgettaire grondslag aan te nemen.


B. De jaarlijkse belasting op verzekeringsactiviteiten (art. 5 en 9, §4)

De jaarlijkse belasting op verzekeringsactiviteiten, sinds de wet van 8 augustus 19808 vastgesteld op 9,25%, na meer dan vierenveertig jaar zonder wijziging, wordt verhoogd tot 9,6% voor premies die in vervaldag vallen vanaf 1 april 2026. De memorie van toelichting voorziet een anti-misbruikbepaling: de beëindiging van een contract en de onderschrijving van een « zeer gelijkaardig » contract vóór inwerkingtreding vallen onder artikel 202 van het CDTD9. Ondernemingen moeten deze verhoging vanaf 1 april 2026 in hun kostenbudget opnemen.


C. De jaarlijkse belasting op effectenrekeningen (art. 6 en art. 9, §5)

De jaarlijkse belasting op effectenrekeningen wordt verdubbeld: van 0,15% naar 0,3%, met ingang vanaf de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad. De impact is onmiddellijk en strikt proportioneel: voor een portefeuille van 5.000.000 € verdubbelt de belasting van 7.500 € naar 15.000 €. De verdubbeling van het tarief verandert de structuur van de belasting niet; een structureel grondwettelijk beroep blijft onwaarschijnlijk, maar wordt niet uitgesloten. Wettelijke optimalisatiestrategieën verdienen een voorzichtige studie.


D. De jaarlijkse belasting op kredietinstellingen — de « bankentaks » (art. 7 tot 9)

De bankentaks, geregeld door artikel 20111 van het CDTD10, belast kredietinstellingen op basis van hun schulden aan cliënten (lijn 229, kolom 05, tabel 00.20, Schema A11). De PLP brengt twee welkome technische correcties aan: (i) contractuele schulden aan de EIB12 worden uitgesloten van de belastbare basis, waardoor een onrechtvaardig concurrentienadeel wordt rechtgezet; (ii) schulden aan een centrale tegenpartij (CCP) die haar bankvergunning heeft opgegeven op 28 oktober 202513 worden eveneens uitgesloten, wat de fiscale neutraliteit van centrale compensatie (EMIR14 / CRR15) herstelt. Bovendien is een tariefsverhoging voorzien vanaf boekjaar 2027.

Wat onthouden?

  • Belasting op luchtvaartinstappen: progressieve herziening vanaf 2027; budgettaire grondslag conform Chicago-verdrag.
  • Verzekeringsbelasting: 9,25% → 9,6% vanaf 1 april 2026 — anti-misbruikclausule (art. 202 CDTD) actief.
  • Belasting op effectenrekeningen: verdubbeling (0,15% → 0,3%) vanaf publicatie in Staatsblad.
  • Bankentaks: welkome correcties m.b.t. EIB en CCP + tariefsverhoging vanaf boekjaar 2027.


II. Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen (WIB 92)

Hoofdstuk 2 van Titel 2 wijzigt het WIB 92 op drie verschillende gebieden. Deze maatregelen streven naar een gemeenschappelijk doel van versterking van de fiscale ontvangsten, maar hun modaliteiten inzake inwerkingtreding, de ontdekkingen die zij brengen en de resterende opportuniteiten die ze bieden, vragen om een bijzonder nauwkeurige analyse.

A. Beperking van het forfaitaire kostenstelsel voor auteursrechten (art. 10 tot 12)

Sinds de hervorming van 2022 genieten inkomsten uit auteursrechten een specifieke fiscale behandeling in het WIB 92, waarvan één voordeel het toepassen van forfaitaire aftrekposten was: een afbouwend forfait (art. 4, § 1er, 1°, KB/WIB 9216) en een aftrek van 15% (art. 3, KB/WIB 9217). De PLP schrapt deze forfaits voor houders van een werkattest van het type « starter » en beperkt ze tot de « gewone » en « plus » attesten18.

Waarschuwingspunten — Auteursrechten

  • Schrapping van forfaits: toepasselijk op inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2026. Houders van een « starter » attest verliezen de forfaitaire aftrek, ook voor inkomsten die al in 2025 zijn opgebouwd.
  • Negatief advies van de Raad van State: de Afdeling Wetgeving leverde sterke kritiek op deze maatregel4, met name inzake precisie en proportionaliteit. Deze kritiek werd niet opgevolgd, wat mogelijke latere beroepsprocedures opent.
  • Praktisch probleem — voorlopige inhouding reeds toegepast: indien een schuldenaar in 2026 auteursrechten betaalde met voorlopige inhouding volgens het oude regime (met forfait), zal een regelingscorrectie via de belastingaangifte van de begunstigde vereist zijn.

Resterende opportuniteiten — Auteursrechten

  • Werkelijke kosten: ook zonder forfait kunnen houders van een « starter » attest hun werkelijke beroepskosten aftrekken, mits ze deze kunnen bewijzen. Daarom is een rigoureuze documentatie vanaf 1 januari 2026 onontbeerlijk.
  • Overstap naar een gewoon attest: er moet onmiddellijk worden nagegaan of aan de voorwaarden voor een « gewoon » of « plus » attest wordt voldaan. Indien dat zo is, blijft het kostenforfait toegankelijk.
  • Praktische illustratie — Auteursrechten (attest « starter »)

Een softwareontwikkelaar ontvangt in 2026 bruto 20.000 € auteursrechten en beschikt slechts over een « starter » attest. Hij kan het afbouwende forfait niet meer toepassen. Hij heeft twee opties: (i) zijn werkelijke beroepskosten bewijzen (verplichte documentatie); (ii) een gewoon attest aanvragen indien aan de voorwaarden is voldaan. Als zijn schuldenaar al voorlopige inhouding heeft toegepast volgens het oude regime, is een correctie via de belastingaangifte noodzakelijk.


B. Herziening van de tarieven van de liquidatiereserve en het VVPRbis-regime (art. 13 tot 18)

De liquidatiereserve en het VVPRbis-regime vormen twee essentiële pijlers van de fiscale planning voor Belgische kmo’s. De PLP verhoogt simultaan de tarieven van deze twee reglementeringen en voorziet een gerichte anti-misbruikbepaling, waarbij bovendien een grote verrassing aan het licht komt.

1. De liquidatiereserve: mechanisme, berekening en — grote verrassing — toepassingsgebied in de tijd

De liquidatiereserve is een mechanisme waarbij een kmo een deel van haar boekhoudkundig resultaat na belastingen toewijst aan een bijzondere reserve, onder betaling van een afzonderlijke en onmiddellijke heffing van 10% op het netto gereserveerde bedrag. Bij uitkering bij liquidatie is er geen bijkomende voorheffing verschuldigd; bij uitkering vóór liquidatie (maar minstens vijf jaar na aanleggen) geldt een verlaagd tarief. Dit verlaagde tarief stijgt van 6,5% naar 9,8%.

Berekening van de effectieve fiscale druk — vergelijking oud en nieuw regime

Uitgangspunt: te reserveren winst na belasting (voor afzonderlijke heffing) : 100.000 €

  • Nieuw regime (PLP 2026) — voorheffingstarief 9,8% :
    • Aangelegde liquidatiereserve: 100.000 / 1,10 = 90.909,09 €
    • Afzonderlijke heffing (10%) : 90.909,09 × 10% = 9.090,91 €
    • Voorheffing (9,8%) bij uitkering na 3 jaar: 90.909,09 × 9,8% = 8.909,09 €
    • Totale belasting : 9.090,91 + 8.909,09 = 18.000 € → effectieve fiscale druk : exact 18%
  • Oud regime — voorheffingstarief 6,5% :
    • Liquidatiereserve: 100.000 / 1,10 = 90.909,09 €
    • Afzonderlijke heffing (10%): 9.090,91 €
    • Voorheffing (6,5%): 90.909,09 × 6,5% = 5.909,09 €
  • Totale belasting: 9.090,91 + 5.909,09 = 15.000 € → effectieve fiscale druk: precies 15%

De hervorming verhoogt dus de effectieve fiscale druk van 15% tot 18 %, een stijging van 3 procentpunten.

Grote verrassing — Liquidatiereserves per 31.12.2025 worden NIET gespaard!

Men kon redelijkerwijs verwachten dat liquidatiereserves aangelegd voor het boekjaar afgesloten op 31 december 2025 aan het oude tarief van 6,5% zouden blijven onderworpen, in de geest van de hervorming zomer 2025 en de circulaire van oktober 202519 die het nieuwe regime toelichtte. In tegenstelling tot deze redelijke verwachting bepaalt de PLP dat:

  • Reserves aangelegd vanaf het boekjaar afgesloten op 31.12.2025 aan het nieuwe tarief van 9,8% zullen onderworpen worden bij elke latere uitkering. Vennootschappen die in 2025 reserves hadden aangelegd met de verwachtingswaarde van een uitkering tegen 6,5% worden aldus « verrast ».
  • Deze aanpak is in strijd met: (i) de bepalingen van de hervorming zomer 2025; (ii) de administratieve circulaire van oktober 2025 die het nieuwe regime commentarieert; (iii) het rechtszekerheidsbeginsel.
  • De Raad van State heeft dit probleem expliciet aangestipt in zijn advies 4, maar deze bedenking is door de regering onvoldoende meegenomen. Deze houding veroorzaakt echte rechtsonzekerheid en opent mogelijk een betwistingsangleel voor het Grondwettelijk Hof.
  • Ongepaste complexiteit: de toepassing van verschillende tarieven naargelang de aanvangsdatum van de reserves dwingt vennootschappen en hun raadgevers tot een nauwgezette opvolging — reserve per reserve en boekjaar per boekjaar — waar het regime voordien was gewaardeerd om zijn eenvoud.


2. Het VVPRbis-regime: tariefsverhoging en resterende kans

Het VVPRbis-regime (Verlaagde Voorheffing bis) staat kmo’s die sinds 1 juli 2013 een kapitaalverhoging in cash hebben doorgevoerd toe dividenden te verdelen tegen verlaagd tarief. Het tarief dat vanaf de derde belastbare periode geldt, stijgt van 15% naar 18%, terwijl het tarief van 20% (tweede periode) ongewijzigd blijft.

Waarschuwingspunt — Inwerkingtreding VVPRbis

  • Het tarief van 18% geldt vanaf de eerste dag van de maand na publicatie van de wet in het Staatsblad — geen terugwerkende kracht. Dividenden uitgekeerd vóór die datum blijven aan 15% onderworpen.

Kansvenster — VVPRbis: het tarief van 15% blijft bereikbaar

Tussen de indiening van de PLP en zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad is het nog mogelijk om van het tarief van 15% te profiteren op volgende wijzen:

  • Interimedividend: uitkering buiten de algemene vergadering, overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
  • Voorschot op dividenden: besloten door de raad van bestuur of het directiecomité vóór inwerkingtreding, onder voorbehoud van wettelijke voorwaarden.

Deze operaties vereisen een casusgebonden analyse (voorwaarden voor uitkering, beschikbare middelen, vennootschapsrecht) en moeten absoluut vóór publicatie van de wet in het Staatsblad gerealiseerd worden. Het venster is smal en spoed is geboden.


3. Specifieke anti-misbruikbepaling: drie jaar en « gelijkaardige activiteit »

De PLP configureert deze twee maatregelen met een specifieke anti-misbruikbepaling, verschillend van de algemene anti-misbruikclausule van het WIB 92. Ze beoogt het neutraliseren van het volgende patroon: een vennootschap keert haar reserves uit aan verminderd tarief (of 0% bij liquidatie) en een « gelijkaardige activiteit » wordt binnen de drie jaar na deze uitkering opnieuw opgenomen — door dezelfde aandeelhouders of verbonden entiteiten.

Waarschuwingspunt — Anti-misbruik: drie jaar en « gelijkaardige activiteit »

  • Criteria « gelijkaardige activiteit »: bredere interpretatie dan « dezelfde activiteit ». De administratie kan de maatregel toepassen ook als de nieuwe vennootschap een activiteit uitoefent die vergelijkbaar is met — maar niet identiek aan — de vroegere.
  • Venster van 3 jaar: de herneming van activiteit moet binnen drie jaar na de uitkering aan verminderd tarief gebeuren. Nadien geldt de specifieke anti-misbruikbepaling niet meer, behoudens de algemene clausule.
  • Inwerkingtreding: de eerste dag van de maand na publicatie van de wet in het Staatsblad.

Illustratie — Schema beoogd door de anti-misbruikbepaling

Vennootschap A, actief in informatica-advies sinds 2018, heeft 400.000 € liquidatiereserves aangelegd. In 2026 liquideren haar aandeelhouders haar: uitkering tegen 0% voorheffing. In 2027 — minder dan drie jaar later — richten dezelfde aandeelhouders Vennootschap B op, actief in advies over informatiesystemen (een « gelijkaardige » activiteit). De fiscus kan deze operatie herkwalificeren en de uitkering belasten aan het gewone tarief, tenzij de aandeelhouders economische legitieme en substantiële motieven kunnen aantonen voor de ontbinding en daaropvolgende oprichting.

Het is aan de betrokken aandeelhouders om het bestaan van legitieme en substantiële economische motieven aan te tonen om de ontbinding van de oude vennootschap te verantwoorden, gevolgd door de oprichting van een nieuwe entiteit. De vaagheid van de notie « gelijkaardige activiteit » — niet wettelijk gedefinieerd — is op zichzelf een bron van rechtsonzekerheid. Dit illustreert de toenemende complexiteit van een regime dat oorspronkelijk op prijs werd gesteld om zijn eenvoud.


C. Invoering van een correctiefactor op vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing (art. 19 e.v.)

De « vrijstellingen van inhouding van bedrijfsvoorheffing » maken het sommige werkgevers (O&O, onderwijs, steunzones) mogelijk om een deel of geheel van de bedrijfsvoorheffing, ingehouden op lonen, te behouden zonder doorstorting aan de schatkist. Deze vrijstellingen, uitgedrukt als percentages op bruto lonen, stijgen mechanisch met de indexering van de lonen. De PLP introduceert een nieuw artikel 275°/² in het WIB 92, dat een « correctiefactor » invoert die dit effect gedeeltelijk neutraliseert:

  • 97 % (factor 0,97) voor vrijstellingen van het belastbaar tijdperk 2027;
  • 93,35 % (factor 0,9335) voor die van het belastbaar tijdperk 2028;
  • 95,9 % (factor 0,959) vanaf 1 januari 2029.

De memorie van toelichting becijfert de geraamde budgettaire opbrengst op 107 M € in 2027, 246 M € in 2028 en 148 M € in 2029. Voor een vennootschap die netto 500.000 € vrijstelling geniet, betekent dit een meerkost van 15.000 € in 2027, 33.250 € in 2028 en 20.500 € in 2029. Deze bedragen moeten zonder uitstel in de personeelsbudgetten worden verwerkt.

Wat onthouden?

  • Auteursrechten — « starter » attest: schrapping van kostenforfaits vanaf 1 januari 2026. Werkelijke kosten mogelijk indien bewezen. Controleer geschiktheid voor gewoon attest. Correctie via aangifte indien bedrijfsvoorheffing reeds ingehouden.
  • Liquidatiereserve — grote verrassing: reserves aangelegd voor boekjaar afgesloten op 31.12.2025 zullen aan tarief van 9,8% (effectieve druk 18%) onderworpen worden, tegenstrijdig met verwachtingen. Negatief advies RV niet gevolgd. Mogelijke constitutionele discussie.
  • VVPRbis — kansvenster: tarief van 15% blijft bereikbaar vóór publicatie in SB (interimedividend, voorschot). Spoedige analyse vereist.
  • Anti-misbruik: periode van 3 jaar, criterium « gelijkaardige activiteit » (ruimer dan dezelfde activiteit). Juridisch onbepaalde term, bron van onzekerheid.
  • Vrijstellingen bedrijfsvoorheffing: correctiefactor 97% (2027), 93,35% (2028), 95,9% (2029+). Onmiddellijk in budgetten verwerken.


Conclusie

Titel 2 van het programmatorische wetsvoorstel van 23 februari 2026 illustreert een resoluut budgettaire aanpak, gepaard met meerdere grote verrassingen. Sommige maatregelen zijn logisch en correctief — met name de aanpassingen van de bankentaks —, andere roepen ernstige vragen op op vlak van rechtszekerheid: de onderwerping van liquidatiereserves aangelegd voor het boekjaar afgesloten op 31 december 2025 aan het nieuwe regime van 9,8%, in tegenstelling tot de verwachtingen uit de zomerhervorming en de circulaire van oktober 2025, is hiervan het opvallendste voorbeeld. Het negatieve advies van de Raad van State, onvoldoende meegenomen, schept mogelijk een betwistingskader dat praktijkvoerders moeten bewaken.

In deze context van snelle en cumulatieve fiscale veranderingen is reactievermogen een voorwaarde voor de bescherming van cliëntenbelangen. Twee onmiddellijke opportuniteiten tekenen zich af: de uitkering van VVPRbis-dividenden aan 15% vóór publicatie van de wet in het Staatsblad, en de analyse van de situatie van eerder aangelegde liquidatiereserves in het licht van de nieuwe regels en de mogelijkheden tot geschil.

Juist in deze waakhond- en actieve begeleidingsrol investeert Deg & Partners dagelijks, door haar cliënten in real time te informeren over de normatieve, jurisprudentiële en reglementaire evoluties die het economische en fiscale landschap van ons land vormgeven. Geconfronteerd met de veelheid aan wetgevingen, normen en reglementeringen, staan we samen sterker.


Overzichtstabel

Maatregel

Oude regel

Nieuwe regel

Inwerkingtreding

Kernpunten / waarschuwingen

Belasting instappen luchtvaart

Eerdere tarieven

Progressieve herziening

Vanaf 2027

Expliciete budgettaire motivatie

Belasting verzekeringsactiviteiten

9,25 %

9,6 %

1ste april 2026

Anti-misbruik (art. 202 CDTD) bij beëindiging/vernieuwing

Belasting effectenrekeningen

0,15 %

0,3 %

Vanaf publicatie in SB

Onmiddellijke impact op portefeuilles > 1 M €

Bankentaks (EIB & CCP)

Schulden inbegrepen in de basis

Schulden uitgesloten uit de basis

Boekjaar 2027

Welgekomen correctie + tariefsverhoging

Auteursrechten (kostenforfait)

Toepasbaar voor alle attesthouders

Beperkt tot gewone en « plus » attesten

Inkomsten vanaf 1/1/2026

⚠ Werkelijke kosten mogelijk indien bewezen. Negatief advies RV. Correctie via aangifte.

Liquidatiereserve — RV tarief

6,5 % (effectief 15 %)

9,8 % (effectief 18 %)

1ste dag van de maand na publicatie SB

⚠ Reserves per 31.12.2025 NIET gespaard! RV aangehaald. Mogelijk geschil.

VVPRbis — tarief 3e periode+

15 %

18 %

1ste dag van de maand na publicatie SB

✅ 15 % nog steeds mogelijk (interimedividend / voorschot) vóór publicatie SB!

Anti-misbruik liquidatiereserve & VVPRbis

Geen specifieke bepaling

3 jaar / gelijkaardige activiteit

1ste dag van de maand na publicatie SB

⚠ Ruime en ongedefinieerde term « gelijkaardig ». Rechtsonzekerheid.

Vrijstellingen bedrijfsvoorheffing

100% van het berekende bedrag

97 % / 93,35 % / 95,9 %

2027 / 2028 / 2029

Impact op O&O-budgetten en steunzones. Onmiddellijk verwerken.


Praktische aanbevelingen

In nauwe samenwerking met hun adviseurs worden betrokken belastingplichtigen en ondernemingen uitgenodigd om volgende maatregelen te treffen zonder te wachten op de inwerkingtreding:

  1. [DRINGEND — Voor publicatie in SB] VVPRbis-vennootschappen: analyseer onmiddellijk de opportuniteit om een interimedividend of een voorschot op dividend uit te keren aan 15%. Dit venster sluit bij de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad.
  2. Liquidatiereserves — 31.12.2025: identificeer de reserves aangelegd voor het boekjaar afgesloten op 31 december 2025, kwantificeer de impact van de stijging van 6,5% naar 9,8% en evalueer het belang van een procedure bij het Grondwettelijk Hof (vertrouwensbeginsel, materiële terugwerkende kracht).
  3. Creators en artiesten (« starter » attest): controleer zonder uitstel de geschiktheid voor een gewoon of « plus » attest. Zoniet, documenteer strikt de werkelijke beroepskosten vanaf 1 januari 2026 en corrigeer indien nodig de bedrijfsvoorheffing via aangifte.
  4. Houders van effectenrekeningen: start een vermogensaudit om de mogelijkheden van legale optimalisaties te analyseren, met oog voor de economische realiteit om anti-misbruikrisico’s te vermijden.
  5. Verzekerden: vermijd voortijdige beëindiging en hernieuwing van contracten vóór 1 april 2026 om artikel 202 CDTD te vermijden.
  6. Werkgevers met vrijstellingen van bedrijfsvoorheffing: verwerk de correctiefactor onmiddellijk in de budgetten voor 2027-2029.
  7. Algemene waakzaamheid inzake geschillen: negatieve adviezen van de Raad van State over de liquidatiereserve en auteursrechten bieden mogelijke grond voor procedures bij het Grondwettelijk Hof. Praktijkvoerders waken over de rechten van hun cliënten via passende rechtsmiddelen.


______________

Referenties

1 Parl. doc., Kamer van Volksvertegenwoordigers, 3de zitting van de 56ste legislatuur, DOC 56 1378/001, ingediend op 23 februari 2026, spoed aangevraagd conform art. 51 Reglement Kamer.

2 Diverse rechten en taksen Code (CDTD), gecoördineerd bij KB van 3 maart 1927, B.S. 3 maart 1927.

3 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), gecoördineerd bij KB van 10 april 1992, B.S. 30 juli 1992.

4 Advies Raad van State, Afdeling Wetgeving, uitgebracht over het programmatorische wetsvoorstel DOC 56 1378/001 (advies bijgevoegd bij het wetsvoorstel, niet volledig opgevolgd door de regering).

5 Memorie van toelichting, DOC 56 1378/001, commentaar bij art. 2 tot 4: « het milieudoel was in werkelijkheid slechts een volstrekt ondergeschikt doel ».

6 Verdrag inzake internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, art. 15.

7 Grondwettelijk Hof, 30 november 2023, nr. 165/2023.

8 Wet van 8 augustus 1980, B.S. 15 augustus 1980 (inwerkingtreding 1 januari 1980; het tarief werd toen verhoogd van 8,25% tot 9,25%).

9 Art. 202 CDTD: algemene anti-misbruikbepaling toepasbaar op diverse rechten en taksen.

10 Art. 20111 CDTD, ingevoerd door wet van 3 augustus 2016 betreffende de geharmoniseerde jaarlijkse belasting op kredietinstellingen.

11 Lijn 229, kol. 05, tabel 00.20, Schema A (boekhoudkundige reporting van kredietinstellingen aan NBB).

12 EIB geclassificeerd als « andere financiële tussenpersoon » (landcode 4C, tabel 43.03, circulaire NBB/BNB_2014_13) volgens Eurostat-richtlijnen.

13 DOC 56 1378/001, memorie van toelichting art. 7 tot 9: vrijwillige afstand 28 oktober 2025.

14 Verordening (EU) nr. 648/2012 van 4 juli 2012 (EMIR), PB EU L 201 van 27 juli 2012.

15 Verordening (EU) nr. 575/2013 van 26 juni 2013 (CRR), PB EU L 176 van 27 juni 2013.

16 Art. 4, § 1er, 1°, KB/WIB 92: afbouwend forfait van aftrekbare kosten op bruto-auteursinkomsten.

17 Art. 3, KB/WIB 92: forfaitaire aftrek van 15%.

18 DOC 56 1378/001, memorie van toelichting art. 10 tot 12.

19 Administratieve circulaire van oktober 2025 die het liquidatiereserveregime toelicht; wetsmatige hervorming zomer 2025 die het regime wijzigde. Deze teksten creëerden een legitieme verwachting dat het tarief van 6,5% behouden bleef voor reserves aangelegd voor het boekjaar afgesloten op 31 december 2025.

Mots clés