
De aangifte personenbelasting betreffende de inkomsten van 2025 is dit jaar niet louter een administratieve formaliteit. Ze fungeert als een spiegel van het fiscaal beleid. Door de schrapping van codes, de vereenvoudigde rubrieken en de verminderde voordelen illustreert ze met ongekende duidelijkheid de richting die de wetgever wil uitgaan voor ons fiscale systeem: minder fiscale niches, minder uitzonderingen, minder correctiemechanismen, maar daarentegen ook minder gerichte voordelen voor de belastingbetaler.
Het meest zichtbare element is algemeen bekend: de aangifte van 2026 omvat in totaal 699 codes.¹ Dit kan droog lijken, maar het cijfer is veelzeggend. Voor het eerst in tien jaar is het aantal codes opnieuw onder de symbolische grens van 700 gezakt — en zelfs onder de 800 voor het eerst sinds 2015. De daling bedraagt 47 codes in Wallonië, 43 in Brussel en 59 in Vlaanderen. Minister van Financiën Jan Jambon omschrijft deze evolutie als de « eerste concrete stap » van een bredere fiscale hervorming, opgenomen in de Arizona-regeerakkoord, die erop gericht is « geleidelijk een einde te maken aan de warboel van vrijstellingen, aftrekken en uitzonderingen ».²
Deze politieke communicatie is perfect coherent. Maar op fiscaal vlak moet men altijd verder kijken dan de schijn. Een kortere aangifte betekent niet noodzakelijk een gunstigere aangifte. Vaak — en dit is hier precies het geval — weerspiegelt de vereenvoudiging van het formulier een afbouw van preferentiële regimes. De belastingbetaler ontdekt dan een strengere realiteit: minder codes, maar ook minder hefboommogelijkheden; minder rubrieken, maar ook minder flexibiliteit.
Daarom verdient de aangifte van 2026 gelezen te worden als een overgangstekst — een getrouw spiegelbeeld van de actuele budgettaire, sociale en economische keuzes.
Formeel gezien is de inkorting van het formulier onmiskenbaar. Na jaren van aangifte-inflatie vormt deze terugval een visuele en methodologische breuk. Een korter formulier verbetert de leesbaarheid, verlaagt de foutkans en vergemakkelijkt het gebruik door de niet-gespecialiseerde belastingbetaler. Het zou oneerlijk zijn dit voordeel te ontkennen.
Het zou echter intellectueel onvoldoende zijn zich tot deze constatering te beperken. In dit geval is de daling van het aantal codes niet het resultaat van een betere fiscale vormgeving of een rationalisering van bestaande rubrieken. Ze vloeit voornamelijk voort uit een actief beleid van afschaffing van verminderingen, vrijstellingen en bijzondere regimes. Sommige waren nauwelijks gebruikt — of zelfs quasi onbenut — en hun schrapping heeft onbetwistbare administratieve logica. Andere betroffen substantiëlere stimuleringsmaatregelen waarvan het wegvallen de fiscale situatie van sommige belastingplichtigen concreet verandert.
De vereenvoudiging van 2026 is dus op vlak van vorm echt. Maar ze berust vaak op een vermindering van de gunstige inhoud voor de belastingbetaler, niet op een verbetering van de aangiftetechniek als dusdanig. Het is belangrijk deze twee niet te verwarren.
Circulaire 2026/C/8³ bespreekt expliciet de afschaffing vanaf het aanslagjaar 2026 van een reeks federale fiscale voordelen. Deze schrappingen zijn vastgelegd in de wet van 18 december 2025 met diverse bepalingen.⁴ Ze bestrijken uiteenlopende domeinen en betreffen:
Deze inventaris leert dat het niet slechts om een cosmetische opschoning gaat.Ze raakt zeer diverse domeinen — privé-investeringen, mobiliteit, gezinsleven, rechtsbescherming, huishoudhulp en bepaalde loonvoordelen — en elimineert fiscale arbitragemogelijkheden die sommige belastingplichtigen in hun patrimoniale of professionele organisatie hadden geïntegreerd.
De rubriek met betrekking tot de koopkrachtpremie verdwijnt ook uit de aangifte van 2026. Dit mechanisme — dat een belastingvrijstelling tot 750 euro mogelijk maakte voor premies toegekend in 2023 en 2024 door ondernemingen met goede resultaten tijdens de energiecrisis — was niet langer relevant voor de inkomsten van 2025, wegens het ontbreken van in aanmerking komende uitkeringen. Het wegvallen ervan is dus eerder een natuurlijk einde dan een offensieve beleidskeuze. Het illustreert desalniettemin een fundamentele realiteit: sommige fiscale instrumenten zijn ontworpen als tijdelijke antwoorden op een bepaalde conjunctuur, en niet als duurzame componenten van het fiscale architectuur.
Een van de subtiele elementen van de aangifte 2026 is dat sommige regelingen niet volledig verdwijnen. Ze blijven bestaan, zij het in sterk verminderde vorm. De belastingplichtige heeft daardoor soms de indruk een bekend mechanisme terug te vinden, terwijl het fiscale rendement verlaagd werd.
De belastingvermindering voor giften blijft behouden, doch het tarief daalt van 45 % naar 30 % vanaf deze aangifte. Het principe van fiscale ondersteuning voor private vrijgevigheid wordt dus behouden, maar het intensiteitsniveau vermindert aanzienlijk. Concreet betekent dit: een gift van 100 euro geeft niet langer een fiscaal voordeel van 45 euro, maar van 30 euro. Dit verschil van 15 euro per 100 euro is niet onaanzienlijk voor belastingplichtigen die hun filantropische engagementen rond deze fiscale remboursiering hebben opgebouwd. De beslissing om te schenken steunt vaak op een combinatie van persoonlijke betrokkenheid en budgettaire stimulans; het wijzigen van die tweede factor heeft praktische gevolgen.
Formeel blijven de rubrieken betreffende alimentaties in de aangifte opgenomen. De belastingplichtige blijft de effectief betaalde of ontvangen bedragen vermelden. De fiscaal in aanmerking te nemen quote evolueert daarentegen aanzienlijk. Toegepast volgens de wet van 18 december 2025 en circulaire 2026/C/12,¹⁰ worden de aftrekbaarheid by debiteur en de belastbaarheid by begunstigde beperkt tot 70 % van de vanaf 1 januari 2025 betaalde of toegekende bedragen — tegen 80 % vroeger. Dit percentage daalt tot 60 % voor de inkomsten van 2026 en 50 % voor de inkomsten van 2027.
De aangifte 2026 is daarmee de eerste concrete vertaling van dit afbouwtraject. Dit punt verdient bijzondere aandacht in familierechtelijke dossiers: de theoretische herweging tussen debiteur en begunstigde leidt niet altijd tot een evenwichtig economisch effect, en de draagkracht die onder het oude regime werd vastgesteld, kan herbekeken moeten worden.
Als er een materie is waarin de aangifte 2026 het hervormingsbeginsel het sterkst weerspiegelt, dan is het wel de fiscaliteit op vastgoed anders dan de eigen woning. De hervorming is overweldigend: de bijhorende rubriek gaat van 31 naar 6 codes.
Jarenlang was dit deel van het IPP-formulier een van de technischste. De vele codes weerspiegelden het voortbestaan van oude regimes, aftrekbare interesten volgens verschillende regels, voordelen op bepaalde leningen en een gedifferentieerde behandeling naargelang de aard van het goed en de financiering. De aangifte van 2026 verandert die situatie grondig. De reductie van 31 naar 6 codes is niet te verklaren door een eenvoudige opmaakwijziging, maar vloeit voort uit de afschaffing van de gewone renteaftrek voor leningen verbonden aan deze goederen — ook lopende leningen — en het verdwijnen van enkele gerelateerde voordelen, zoals de 30 % vermindering op federale groene leningen en de federale woonbonus.
De belastingplichtige die nog inkomsten uit vastgoed aangaf onder codes 1106/2106, of beroepshuurinkomsten onder codes 1109 en 1110, dient deze rubriek voortaan in een fundamenteel andere context te benaderen. Het gaat niet langer om het identificeren van beschikbare aftrekken in het verlengde van eerdere regimes; het gaat om het begrijpen van een substantiële aanscherping van de federale fiscaliteit op privé-rendementsvastgoed.
Ter illustratie: een belastingplichtige die een lening voor een huurappartement afbetaalde, kon daarin een renteaftreklogica verwerken. Door de hervorming vervalt dat gunstige element, wat het nettorendement na belasting mechanisch verlaagt en aanleiding kan geven tot heroverweging van de verhouding tussen privaat (in eigen naam) en via vennootschap gehouden vastgoed.
Een belangrijke les uit de aangifte 2026 ligt in de behandeling van bestaande regimes. Sommige voordelen verdwijnen niet meteen volledig, maar het formulier toont nu veel duidelijker dat ze gesloten zijn voor nieuwe situaties en enkel voortbestaan voor verworven rechten.
Het voorbeeld van de Waalse wooncheque illustreert dit goed. De Waalse overheid heeft de registratierechten op 3 % gebracht voor de aankoop van een eigen en enige woning, met als compensatie de afschaffing van de wooncheque. De Waalse aangifte 2026 schrapt de bijhorende code nog niet — leningen afgesloten voor 2025 blijven er in aanmerking komen — maar vermeldt nu expliciet dat het over leningen « afgesloten tot en met 2024 » gaat. Dit is niet langer een levend fiscaal instrument, maar een residuaire regeling die zal uitdoven naarmate oude situaties buiten het aangiftedomein vallen.
Deze opbouw van de aangifte is belangrijk voor de belastingplichtige. Ze laat een duidelijkere interpretatie van de fiscale tijdelijkheid toe: hij ziet beter wat nog openstaat, wat gesloten is voor nieuwe gevallen en wat enkel als resterend recht overblijft. De moeilijkheid is niet alleen juridisch; ze is ook psychologisch. Veel belastingbetalers denken nog steeds profijt te hebben van een regeling die enkel voor oude dossiers nog geldt.
De hervorming raakt niet alleen investeringen of gerichte verminderingen. Ze heeft ook impact op de wijze waarop bepaalde menselijke en familiale situaties fiscaal worden meegenomen.
Vanaf de aangifte 2026 kunnen (groot)ouders en cohabitanten ouder dan 66 jaar op 1 januari 2026 fiscaal niet langer ten laste worden genomen — met recht op de verhoging van de belastingvrije som van 5.950 euro — tenzij ze afhankelijk zijn, dat wil zeggen dat ze een verminderde autonomie vertonen op een aantal objectieve punten (onvermogen om zich te verplaatsen, zichzelf te voeden of te kleden, enz.).¹¹ De oude codes 1043 en 1044 kunnen dus niet meer gebruikt worden voor de inkomsten van 2025. Het fiscale voordeel is niet langer gekoppeld aan louter samenwoning of familiale solidariteit als dusdanig: het is gekoppeld aan een bewezen kwetsbaarheid. Die verschuiving is niet neutraal.
De aanvullende forfaitaire beroepskosten voor werknemers met een enkele woon-werkafstand van minstens 75 kilometer zijn afgeschaft per inkomsten van 2025. De aftrek van dit ‘forfait voor lange verplaatsingen’ kan dus niet meer worden aangevraagd in de aangifte van 2026. Deze keuze is te verdedigen vanuit het oogpunt van vereenvoudiging. Desondanks elimineert ze een correctie die rekening hield met een objectieve, reële en kostelijke last voor bepaalde werknemers.
De algemene tendens uit deze twee evoluties is dat de fiscaliteit minder geneigd is de belasting aan te passen op basis van talrijke correctiemechanismen die aansluiten bij individuele levensomstandigheden. Ze geeft de voorkeur aan eenvoudigere, maar ook rigide regels, minder gevoelig voor de diversiteit aan situaties.
Het is een fout te denken dat de hervorming alleen de gewone huishoudens betreft. Ook zelfstandigen en bedrijfsleiders worden getroffen door deze herschikking, zij het volgens een andere logica.
Aan de kant van de schrappingen verdwijnen diverse codes: de vrijstelling voor stages, de vrijstelling voor extra laagbetaald personeel en andere secundaire maatregelen. De aangifte voor ondernemers wordt zo ook lichter.
Maar deze vereenvoudiging is ongelijk verdeeld. Tegelijkertijd komen er nieuwe technische rubrieken of worden ze verduidelijkt. De aangifte 2026 integreert onder andere het nieuwe belastingtarief op liquidatiereserves van kleine vennootschappen. Sinds 29 juli 2025 bedraagt de aanvullende belasting bij uitkering na minstens vijf jaar sinds het vormen van de reserve 6,5 %, tegenover 5 % vroeger. Voor reserves gevormd vanaf 2026 blijven twee tarieven gelden: 30 % bij uitkering binnen drie jaar na vorming, en 6,5 % daarna. Het tarief van 5 % dooft geleidelijk uit.
Uit dit overzicht volgt een praktische hoofdconclusie: de vereenvoudiging van het formulier maakt de fiscale complexiteit voor ondernemers niet ongedaan. Ze wordt herverdeeld. De rol van advies is niet alleen het bijstaan in een complexe aangifte, maar ook het opsporen van indirecte effecten van schijnbaar eenvoudigere aangiften.
Bovendien heeft het Arizona-akkoord een nieuw fiscaal regime geïntroduceerd voor carried interest. Carried interest-inkomsten toegekend sinds 29 juli 2025 worden voortaan beschouwd als een aparte categorie roerende inkomsten, belast aan een apart tarief van 25 %. Daarvoor leidde het ontbreken van een specifiek fiscaal kader in de praktijk tot talrijke geschillen. Deze inkomsten verschijnen voor het eerst in de aangifte 2026, wat een duidelijke wens tot verduidelijking signaleert in een tot dan toe betwist domein.
Zoekt men de rode draad doorheen alle zichtbare wijzigingen in de aangifte 2026, dan komt ze met grote duidelijkheid naar voren: België kiest bewust voor een fiscaliteit die minder „chirurgisch” is.
Jarenlang heeft ons systeem talrijke gerichte aanpassingen gekend. Voor elk beleidsdoel of maatschappelijke doelstelling bestond er een code, een vermindering, een uitzondering, een attest, een overgangsregel. Dit model kende een zekere verfijning: het hield rekening met bijzondere situaties, nam objectieve beperkingen mee, en moedigde sociaal nuttige gedragingen op specifieke wijze aan. Maar het leidde ook tot een aanzienlijke complexiteit, waardoor het goede gebruik van de belasting soms werd voorbehouden aan wie over de beste begeleiding beschikte.
De ingezette hervorming wil dat patroon doorbreken. Ze lost niet alles op en schaft de complexiteit van het Belgische systeem niet af. Maar ze toont duidelijk een politieke voorkeur voor minder uitzonderingen, minder gerichte voordelen, minder microregimes, en meer algemene regels. De zo vrijgekomen budgettaire ruimte wordt expliciet besteed aan een bredere maatregel: de stapsgewijze verhoging van de belastingvrije som tegen 2029, die de arbeidsbelasting voor alle werkenden verlaagt.
Deze koers heeft samenhang. Ze verbetert de algemene leesbaarheid van het systeem. Maar ze brengt ook een kost mee, die niet altijd zichtbaar is in het formulier: ze blijkt uit de stijging van de netto kost van vroeger fiscaal ondersteunde gedragingen, uit de afname van de mogelijkheid de belasting te moduleren via gerichte keuzes, en uit het geleidelijke verdwijnen van een gedetailleerde inachtneming van individuele situaties.
Thema | Wijziging in de aangifte 2026 | Concreet gevolg |
Globaal aantal codes | 699 codes; 47 minder in Wallonië, 43 in Brussel, 59 in Vlaanderen | Formele en visuele vereenvoudiging |
Rechtsbijstandverzekering | Schrapping van code 1344/2344 | Einde van 40 % belastingvermindering |
Laadpaal | Schrapping van code 1365/2365 | Einde van federale belastingvermindering voor installatie |
Huispersoneel | Schrapping van de vermindering (ex-code 1389) | Verdwijning van een sterk onderbenut voordeel |
Private pricaf | Schrapping van vermindering op minderwaarden | Einde van een gericht investeringsregime |
Ontwikkelingsfonds | Schrapping van vermindering | Afbouw van gespecialiseerde patrimoniale stimuli |
Adoptiekosten | Schrapping van vermindering | Stijging van de netto fiscale kost van de uitgaven |
Privé-PC-plan | Einde van vrijstelling (vanaf 01.10.2025) | Afbouw van een specifiek loonvoordeel |
Giften | Tarief teruggebracht van 45 % naar 30 % | Hogere netto kost voor de schenking |
Alimentaties | Fiscaal aandeel beperkt tot 70 % in 2025 (daarna 60 % / 50 %) | Afbouwhervorming met horizon 2027 |
Federale vastgoedfiscaliteit | Van 31 naar 6 codes voor niet-eigen woningen | Einde belastingaftrek op gewone interesten |
Waalse wooncheque | Behouden, maar beperkt tot leningen afgesloten tot 2024 | Uitdooirégime |
Koopkrachtpremie | Schrapping van rubriek | Conjuncturele maatregel bereikt einde |
Ouderlingen ten laste | Schrapping van codes 1043/1044 | Voordeel beperkt tot objectieve afhankelijkheid |
Lange woon-werkverplaatsingen | Schrapping van extra forfait | Einde correctie voor bepaalde werknemers |
Liquidatiereserve | Tarief verhoogd naar 6,5 % (in plaats van 5 %) | Wijziging in distributiebeleid |
Carried interest | Nieuwe categorie roerende inkomsten aan 25 % | Eerste aangiftevertaling van nieuw wettelijk kader |
Op de drempel van de IPP-campagne 2026 verdienen meerdere reflexen aanbeveling.
De IPP-aangifte 2026 is een korter, leesbaarder en beter te hanteren document qua vorm. Maar vooral is ze het symptoom van een diepgaandere verandering. Ze laat zien dat België geleidelijk afstand neemt van een fiscaliteit vol correcties, niches en specifieke stimuli, richting een homogener systeem. Deze evolutie is logisch. Maar ze mag niet naïef worden geïnterpreteerd: achter de zichtbare vereenvoudiging ontdekt de belastingbetaler vaak een strengere realiteit.
Een aangifte correct invullen is één zaak. Begrijpen wat ze onthult — en aankondigt — is iets anders. Juist daarin zit de toegevoegde waarde van Deg & Partners. Confronterend met een fiscaliteit die schijnbaar eenvoudiger wordt terwijl ze feitelijk aanscherpt, bestaat onze opdracht erin de technische lezing van de aangifte om te zetten in een duidelijke, samenhangende en strategisch bruikbare visie voor elk van onze cliënten. Samen, gewapend met een grondige analyse van de huidige evoluties, worden fiscale beslissingen weloverwogen beslissingen.
Voetnoten
¹ FOD Financiën, voorbereidende documenten voor de aangifte IPP 2026, gepubliceerd op 19 maart 2026; kabinet van minister van Financiën Jan Jambon.
² Toespraak van minister van Financiën Jan Jambon, persbericht over de publicatie van de aangifte IPP 2026, 19 maart 2026.
³ Circulaire 2026/C/8 betreffende de afschaffing en wijziging van bepaalde federale fiscale voordelen.
⁴ Wet van 18 december 2025 met diverse bepalingen, B.S., 30 december 2025.
⁵ De belastingvermindering voor minderwaarden op aandelen of participaties van een private pricaf was geregeld in art. 145²⁶/1 WIB 92 voor afschaffing.
⁶ De belastingvermindering voor de aankoop van een elektrische wagen was geregeld in art. 145²⁸ WIB 92 voor afschaffing.
⁷ De belastingvermindering voor vergoedingen aan huispersoneel was opgenomen onder code 1389 in de voorbereidingsdocumenten van de aangifte voor inkomsten 2024.
⁸ De belastingvermindering voor premies van rechtsbijstandverzekering was geregeld in art. 145⁴⁹ WIB 92 voor afschaffing; ze kwam nog voor in code 1344/2344 voor inkomsten 2024.
⁹ De belastingvermindering voor installatie van vaste laadpaal was geregeld in art. 145⁵⁰ WIB 92 voor afschaffing; ze stond nog in code 1365/2365 voor inkomsten 2024.
¹⁰ Circulaire 2026/C/12 inzake wijzigingen over de fiscale behandeling van alimentaties; zie ook art. 34 tot 37 van de wet van 18 december 2025 met diverse bepalingen.
¹¹ FOD Financiën, rubriek « Personen ten laste » in de voorbereidende documenten van de aangifte IPP 2026: « Vanaf het inkomstenjaar 2025 kunnen de codes 1043 en 1044 niet meer worden gebruikt. »
Dit artikel werd opgesteld voor algemene informatiedoeleinden. Het vormt geen juridisch of fiscaal persoonlijk advies. Deg & Partners aanvaardt geen aansprakelijkheid voor gebruik zonder voorafgaand advies van een gekwalificeerde raadgever.
Afin de faciliter l’accès au contenu de cet article, une version traduite a été mise à disposition au moyen d’un outil d’intelligence artificielle. La Fondation décline toute responsabilité quant à la qualité, à l’exactitude et à l’exhaustivité de cette traduction automatique, notamment en ce qui concerne l’emploi de terminologies techniques, juridiques ou fiscales spécifiques.
L'article original a été rédigé en Français. En cas de divergence d’interprétation, seule la version originale fait foi.