
De Europese Unie laat de lidstaten een reële beleidsruimte: elk land kan zijn normaal tarief bepalen (minstens 15%) en enkele verlaagde tarieven kiezen, op voorwaarde dat deze betrekking hebben op goederen en diensten die zijn opgenomen in bijlage III van de btw-richtlijn. Daarom kunnen musea, grotten, culturele of dierkundige sites van tarieven van 0%, 6%, 12% of 21% genieten, afhankelijk van het land.
Deze vrijheid wordt echter begrensd door een fundamenteel principe: fiscale neutraliteit. Twee vergelijkbare activiteiten die met elkaar concurreren, mogen niet aan verschillende tarieven onderworpen worden zonder degelijke rechtvaardiging. En Brussel benadrukt een te snel vergeten punt: staten moeten onderscheid vermijden dat « te complex » is, en onmogelijk te beheren of te controleren. Precies dat baart momenteel zorgen: België stapelt de uitzonderingen op, met het risico zijn btw om te vormen tot een onleesbare mozaïek.
België kan alleen handelen binnen een driehoek van beperkingen. De eerste is Europees. De tweede is nationaal, omdat de Grondwet de gelijke behandeling van belastingplichtigen oplegt en verschillen zonder redelijke rechtvaardiging verbiedt. De derde is juridisch: de Raad van State en het Grondwettelijk Hof waken erover dat verschillen in tarieven een legitiem, coherent en proportioneel doel nastreven.
Het onderscheiden van “educatieve parken” en “recreatieve parken” is bijvoorbeeld niet verboden. Maar het is wel nodig objectieve, transparante en stabiele criteria te definiëren die op alle ondernemers toepasbaar zijn. Niets daarentegen zou een fiscaal regime “uitsluitend voor Pairi Daiza” toelaten, evenmin als een “uitsluitend voor de Antwerpse Zoo”. En dat is precies waar de moeilijkheid ligt: zodra een regering denkt in te spelen op een specifieke situatie, vergeet ze dat elk onderscheid voor een rechter verdedigbaar moet zijn.
Geschillen zijn geen theoretisch scenario meer. Bioscopen, geconfronteerd met een tarief dat stijgt van 6 naar 12% terwijl sommige gesubsidieerde zalen op 6% blijven, overwegen een beroep bij de Raad van State. Andere sectoren volgen de situatie op de voet, want de rechtspraak is duidelijk: zodra twee gelijkaardige activiteiten verschillend worden belast, draagt de wetgever de bewijslast.
Het Grondwettelijk Hof sanctioneert op zijn beurt regelmatig kunstmatige verschillen tussen vergelijkbare dienstverleners. Toeristische sites, grotten en dierenparken zouden in deze breuk kunnen duiken als er een asymmetrische behandeling ontstaat. Het debat kan zeer snel verschuiven van een fiscaal naar een communautair terrein: de Gewesten tellen elk hun eigen toeristische symbolen, en een tariefongelijkheid kan eerder als een politieke vooringenomenheid dan als een fiscale keuze worden geïnterpreteerd.
De echte vraag is niet of een tarief moet stijgen of dalen, maar of het systeem nog overeind blijft. Door het stapelen van verhogingen, verlagingen en uitzonderingen creëert België een « doorgelaten » btw die onbegrijpelijk is voor burgers en onwerkbaar voor ondernemers. Elke sector die in moeilijkheden verkeert, vraagt om een specifieke aanpassing en krijgt — soms — een afwijkend regime. De btw wordt dan een politiek speelveld, en geen gestructureerde belasting.
In plaats van te evolueren naar een vereenvoudigd, leesbaar en stabiel model, illustreert de begroting 2026 een gemiste kans. De architectuur wordt almaar complexer, het risico op geschillen neemt toe, en de btw verandert al naar gelang de sectorale druk, ver van een overkoepelende visie. Het is een heel fiscaal systeem dat « alle kanten uit loopt », ten koste van juridische zekerheid en gelijke behandeling van actoren.
Ja, een regering kan haar btw kiezen. Maar nee, ze kan dat niet doen naar eigen goeddunken. Tussen de Europese vereisten, de grondwettelijke principes en het toezicht van de rechtbanken moet elk tariefverschil verdedigbaar, coherent, duurzaam en begrijpelijk zijn.
De huidige wirwar lijkt minder een strategie dan een opeenvolging van politieke aanpassingen. En dat is precies wat haar legitimiteit ondermijnt. De btw herdenken betekent kiezen voor een eenvoudige, stabiele en rechtvaardige structuur. Doorgaan op het pad van uitzonderingen betekent de belasting blootstellen aan voortdurende betwistingen — en een essentieel instrument van het Belgische economisch beleid ondermijnen. De boekhoud- en fiscale sector zal dit telkens onderstrepen wanneer nodig.
Deze opinie werd ook gepubliceerd in La Libre Eco