• FR
  • NL
  • EN

Grondwettelijk Hof bevestigt: geen belastingverhoging bij eerste overtreding te goeder trouw geldt ook voor het verleden

​Het Grondwettelijk Hof heeft op 18 juni 2026 (nr. 76/2026) een belangwekkend arrest geveld over belastingverhogingen bij inkomstenbelastingen (nieuw artikel 444 WIB92). Sinds de programmawet van 18 juli 2025 wordt de goede trouw van een belastingplichtige bij een eerste overtreding in beginsel vermoed. Dat vermoeden heeft een onmiddellijk gevolg: er wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding (tenzij de fiscus erin slaagt om tegenbewijs te leveren). De wetgever had deze nieuwe regeling echter beperkt tot aanslagen die vanaf 29 juli 2025 werden ingekohierd.

Dergelijke temporele beperking houdt volgens het Hof geen stand voor aanslagen die nog niet definitief zijn.

Van een gunst naar een volwaardig recht: wat werd gewijzigd in artikel 444 WIB92?

Artikel 444 WIB92 voorziet in een belastingverhoging bij niet-aangifte, laattijdige aangifte of een onvolledige of onjuiste aangifte. Die verhoging wordt bepaald volgens een schaal van 10% tot 200%, afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding.

Vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 18 juli 2025 bepaalde artikel 444 WIB92 dat de administratie bij afwezigheid van kwade trouw kon afzien van de minimale belastingverhoging van 10%. Met andere woorden: de belastingplichtige beschikte niet over een verworven recht; hij bleef in de praktijk vaak afhankelijk van de welwillendheid van de taxatieambtenaar.

De programmawet heeft dat uitgangspunt gewijzigd. Voortaan wordt afgezien van een belastingverhoging bij een eerste overtreding die te goeder trouw is begaan. Bovendien wordt de goede trouw in beginsel vermoed, behoudens bewijs van het tegendeel door de administratie (of wanneer toepassing wordt gemaakt van een aanslag van ambtswege). Met andere woorden: de belastingplichtige moet niet langer vertrekken vanuit een verdedigingspositie. De wetgever wilde hiermee duidelijk maken dat een belastingplichtige niet per definitie als “belastingzondaar” mag worden behandeld wanneer hij een eerste fiscale overtreding begaat.

Het probleem: alleen voor nieuwe aanslagen?

Artikel 39 van de programmawet bepaalde dat de nieuwe regeling alleen van toepassing was op aanslagen die werden ingekohierd vanaf de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad. Die publicatie gebeurde op 29 juli 2025.

Dat leidde tot een belangrijke praktische beperking. Een belastingplichtige met een eerste overtreding te goeder trouw kon wel onder de nieuwe regeling vallen indien de aanslag vanaf 29 juli 2025 werd ingekohierd. Een belastingplichtige in precies dezelfde situatie, maar met een aanslag van vóór die datum, bleef daarentegen onderworpen aan de oude regeling.

Dat was vooral problematisch voor dossiers die op 29 juli 2025 nog niet definitief waren. Denk aan lopende bezwaren of hangende procedures voor de rechtbank. In dergelijke dossiers was de belastingverhoging nog niet definitief geworden, maar de belastingplichtige zou volgens de letter van de wet toch geen beroep kunnen doen op het nieuwe vermoeden van goede trouw. Daardoor zou hij ook het belangrijkste gevolg daarvan mislopen: het recht dat bij een eerste te goeder trouw begane overtreding wordt afgezien van de belastingverhoging.

Hof van beroep te Gent: belastingverhoging als strafrechtelijke sanctie

Vóór het arrest van het Grondwettelijk Hof had de rechtspraak reeds een duidelijke richting ingezet. Het hof van beroep te Gent paste, in een arrest van 18 november 2025 (2024/AR/639), het beginsel van de mildere strafwet reeds toe op de gewijzigde regeling van artikel 444 WIB92.

De redenering vertrekt vanuit de kwalificatie van de belastingverhoging als een sanctie van strafrechtelijke aard. Een belastingverhoging van 10% is niet louter vergoedend. Zij heeft ook een ontradend en repressief karakter. Daardoor gelden bepaalde strafrechtelijke waarborgen, waaronder het beginsel dat een mildere strafwet moet worden toegepast zolang er nog geen definitieve beslissing is.

Dat beginsel is eenvoudig: wanneer de wetgever na de feiten een mildere sanctieregel invoert, moet deze mildere regeling worden toegepast op dossiers die nog niet definitief zijn. De belastingplichtige mag dus niet worden bestraft volgens een strengere oude regeling wanneer de wetgever ondertussen voor dezelfde situatie een gunstiger regime heeft ingevoerd.

Voor belastingplichtigen was het arrest van het hof van beroep te Gent alvast hoopgevend. Maar zolang het Grondwettelijk Hof zich niet had uitgesproken, bleef het onzeker of deze redenering ook in andere rechtsgebieden ingang zou vinden. Met het welgekomen arrest van 18 juni 2026 is die onzekerheid volledig weggenomen: ook niet-definitieve aanslagen kunnen onder het nieuwe vermoeden van goede trouw vallen.

Wat vernietigt het Grondwettelijk Hof?

Het Hof vernietigt artikel 39 van de programmawet in zoverre deze bepaling het nieuwe regime niet laat gelden voor aanslagen die nog niet definitief zijn. Het Hof bevestigt dat de belastingverhoging van artikel 444 WIB92 een sanctie van strafrechtelijke aard is. Zij heeft een repressief karakter en valt daarom onder de bescherming van artikel 7 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Volgens het Hof heeft artikel 444 WIB92 door de programmawet effectief een mildere inhoud gekregen. De administratie beschikt niet langer over een loutere mogelijkheid om af te zien van de belastingverhoging. Zij moet daarvan afzien bij een eerste overtreding te goeder trouw. Bovendien wordt die goede trouw voortaan vermoed (behoudens in welbepaalde omstandigheden). Dat vermoeden is dus beslissend: zolang het niet wordt weerlegd, is de belastingverhoging uitgesloten.

Bijgevolg kon de wetgever de toepassing van deze mildere regeling niet redelijk beperken tot aanslagen die vanaf 29 juli 2025 werden ingekohierd, aldus het Hof. Ook voor niet-definitieve aanslagen moet de belastingplichtige zich dus op de nieuwe regeling kunnen beroepen.

Wat vernietigt het Grondwettelijk Hof niet?

Het Grondwettelijk Hof verwierp daarentegen twee andere bezwaren tegen het materiële toepassingsgebied van de nieuwe regeling. Deze onderdelen van artikel 444 WIB92 blijven met andere woorden overeind.

Ten eerste is het volgens het Hof niet discriminerend dat het vermoeden van goede trouw enkel werd ingevoerd voor de inkomstenbelastingen en niet voor de btw. Het Hof oordeelt dat de wetgever in fiscale zaken over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Hij hoeft de sanctieregels voor verschillende belastingen niet volledig gelijk te maken, zolang het verschil redelijk verantwoord blijft, aldus het Hof. Ondanks dit oordeel van het Grondwettelijk Hof wordt opgemerkt dat dit onderscheid moeilijk te rijmen valt met de beleidsintenties die in het federale regeerakkoord[1] werden opgenomen. Daarin werd immers aangekondigd dat het huidige sanctiebeleid bij controles zowel in de directe als in de indirecte belastingen zou worden aangepast én dat stappen zouden worden gezet naar meer uniforme sancties voor zowel directe en als indirecte belastingen. In dat licht lijkt de (loutere) aanpassing van artikel 444 WIB92 - enkel voor de inkomstenbelastingen - haaks te staan op de bredere ambitie om tot een meer coherent en gelijklopend sanctieregime te komen. Een gelijktrekking van de regeling voor belastingplichtigen te goeder trouw, ook buiten de inkomstenbelastingen, dringt zich dan ook op.

Ten tweede aanvaardt het Hof dat het wettelijk vermoeden van goede trouw niet speelt wanneer de administratie effectief een aanslag van ambtswege vestigt op basis van artikel 351 WIB92. Volgens het Hof mocht de wetgever oordelen dat deze situaties anders behandeld dienen te worden. Een aanslag van ambtswege volgt doorgaans na het uitblijven van een aangifte, het niet beantwoorden van vragen of het niet meewerken aan het onderzoek.

Belangrijk is wel dat dit niet betekent dat elke laattijdige aangifte automatisch buiten het vermoeden van goede trouw valt. De uitsluiting geldt wanneer de administratie daadwerkelijk de procedure van ambtshalve aanslag toepast. Bovendien behoudt de belastingplichtige ook in dat geval de mogelijkheid om zijn goede trouw zelf aan te tonen.

Wat betekent dit concreet voor lopende dossiers?

Het arrest is vooral relevant voor belastingplichtigen aan wie een belastingverhoging werd opgelegd in een dossier dat nog niet definitief is. Bijvoorbeeld in geval van een bezwaar dat nog loopt of in het kader van een procedure die al hangende is voor de rechtbank of het hof van beroep.

In dergelijke dossiers moet worden nagegaan of de voorwaarden van artikel 444 WIB92 vervuld zijn. Is er sprake van een eerste overtreding? Werd de overtreding te goeder trouw begaan? Beschikt de administratie over concrete elementen om het vermoeden van goede trouw te weerleggen? Indien dat niet het geval is, moet van de belastingverhoging worden afgezien en kan worden verzocht om de opgelegde verhoging te vernietigen.

Voor definitieve aanslagen ligt dat anders. Het beginsel van de mildere strafwet speelt voor zover er nog geen definitieve beslissing is. Wanneer de aanslag definitief is geworden en niet meer aan een administratieve of rechterlijke instantie kan worden voorgelegd, zal het arrest van het Grondwettelijk Hof in principe geen nieuwe beroepsmogelijkheid openen.

Ook voor ambtshalve aanslagen blijft voorzichtigheid geboden. Het wettelijke vermoeden van goede trouw geldt niet wanneer artikel 351 WIB92 effectief wordt toegepast. Dat sluit evenwel niet uit dat de belastingplichtige zijn goede trouw zelf nog kan aantonen.

Een bijkomend aandachtspunt is de vraag of de fiscale administratie, wanneer zij formeel nog een belastingverhoging van 10% aankondigt maar die vervolgens herleidt tot 0,00 EUR, daaraan toch gevolgen kan verbinden voor de rangorde van latere overtredingen. Dat standpunt lijkt moeilijk te verzoenen met de ratio legis van de nieuwe regeling. Artikel 444 WIB92 bepaalt immers dat bij een eerste te goeder trouw begane overtreding wordt afgezien van de belastingverhoging. Bovendien koppelt artikel 229 KB/WIB92 de ranginname uitdrukkelijk aan een eerdere belastingverhoging die de vorige overtreding heeft bestraft. Vooraleer er sprake kan zijn van ranginname, moet de belastingplichtige dus daadwerkelijk zijn bestraft. Een louter theoretische verhoging die geen enkele geldelijke uitwerking heeft, kan dan bezwaarlijk worden beschouwd als een verhoging die de belastingplichtige daadwerkelijk heeft bestraft. In die zin oordeelde ook de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel in een vonnis van 24 juli 2025 (2021/6353/A) dat een verhoging van 0,00 EUR géén verhoging is en dus geen rang kan innemen voor de toepassing van artikel 229 KB/WIB92.

De praktische boodschap is duidelijk: wie vandaag een lopend geschil heeft over een belastingverhoging van 10% bij een eerste overtreding, doet er goed aan om zijn dossier opnieuw te laten beoordelen in het licht van dit arrest. Dat geldt zeker wanneer de administratie zich nog beroept op de oude temporele regeling zoals voorzien in de (inmiddels vernietigde bepaling van de) programmawet.


Conclusie

Het arrest van 18 juni 2026 bevestigt dat de nieuwe regeling omtrent belastingverhogingen bij een eerste overtreding te goeder trouw meer is dan een beleidswijziging voor de toekomst. Ook voor niet-definitieve aanslagen zal de mildere regeling van artikel 444 WIB92 immers moeten worden toegepast. Dit is van groot belang omdat het vermoeden van goede trouw rechtstreeks leidt tot het afzien van een belastingverhoging bij een eerste te goeder trouw begane overtreding. Lopende betwistingen over belastingverhogingen verdienen daarom een gerichte herbeoordeling. Definitieve aanslagen blijven in principe buiten schot, en bij ambtshalve aanslagen blijft de bewijspositie moeilijker. Toch kan dit arrest in heel wat lopende geschillen een doorslaggevend argument zijn. Zeker in situaties waarbij het aftrekverbod (artikel 206/3 WIB92; oud artikel 207, lid 7 WIB92) toepassing vindt bij een effectieve belastingverhoging van 10%, kan dit arrest een niet te onderschatten impact hebben.

Heeft u een lopend administratief bezwaar of een hangende procedure waarin een belastingverhoging werd opgelegd? Neem dan contact op met het gespecialiseerde procedureteam van Tiberghien.

[1] https://www.belgium.be/sites/default/files/resources/publication/files/Regeerakkoord-Bart_De_Wever_nl.pdf.

Mots clés