
Deze zgn. herdefiniëring in geval van fiscaal misbruik laat de fiscale administratie toe om de juridische vormgeving van een verrichting te wijzigen door middel van eliminatie en/of substitutie van één of meer rechtshandelingen, zonder dat de in de plaats gestelde rechtshandelingen gelijksoortige niet-fiscale gevolgen moeten sorteren. De antimisbruikbepaling laat echter niet toe dat loutere rechtsfeiten worden gewijzigd. Integendeel, het herstel mag enkel de juridische vormgeving wijzigen, doch niet de gerealiseerde verrichting zelf.
Wanneer aldus concreet een uitkering geschiedt aan een vennootschap (in casu een Luxemburgse SPF) kan de fiscale administratie deze rechtspersoon niet zonder meer opzijschuiven om de uitkering te belasten in hoofde van de aandeelhouders van deze rechtspersoon, die niets ontvangen hebben.
Dit cassatiearrest roept de herinnering op aan een eerder arrest van het Hof van Cassatie van 2 januari 2020 (F.18.0074.N.), waarin het Hof ook had geoordeeld, zij het buiten de algemene misbruikbepaling van artikel 344 § 1 om, dat inkomstenbelastingen dienen te worden geheven op de door de belastingplichtige werkelijk gehanteerde juridische handeling. Er kan slechts abstractie worden gemaakt van het bestaan van een vennootschap en van de door deze vennootschap gesloten overeenkomsten, indien wordt vastgesteld dat er sprake is van simulatie. De algemene antimisbruikbepaling cf. artikel 344, §1 WIB92 laat dus evenmin toe om het bestaan van de rechtspersoon en de door haar verrichte handelingen zomaar opzij te schuiven.
Het Hof van Cassatie geeft dus duidelijk de grens aan van de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling. In geval van herstel van de belastbare grondslag en belastingberekening bij fiscaal misbruik kan de fiscale administratie niet raken aan de (juridische) feiten of aan de (economische) handelingen die aan de verrichte rechtshandelingen ten grondslag liggen. Hiermee wordt nogmaals aangetoond dat artikel 344, §1 WIB92 geen passe-partout is om de realiteit zomaar opzij te schuiven.
Bron: Cass. 22 januari 2026 (F.23.0040.N.)