
Sinds 2005, in het kader van het Marshallplan, genoot alle nieuwe machine- en gereedschapsuitrusting die in Wallonië werd aangekocht van een volledige en onbeperkte vrijstelling van de onroerende voorheffing. Deze maatregel had tot doel de industriële aantrekkelijkheid van het Gewest te versterken door de fiscale last van ondernemingen duurzaam te verlichten. Concreet “ontsnapten” uw machines, uitrustingen en professionele installaties aan de belasting, zowel op regionaal niveau als voor de gemeentelijke en provinciale aanvullende centiemen.
Vanaf 1 januari 2026 wordt de vrijstelling van onroerende voorheffing op nieuwe machines en gereedschappen voortaan begrensd tot maximaal vijf jaar. Deze periode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het investeringsjaar.
Na afloop van deze vijfjarige periode wordt de onroerende voorheffing weer volledig verschuldigd, inclusief alle gemeentelijke en provinciale aanvullende centiemen.
Volgens de huidige regelgeving bestaat er kennelijk geen mogelijkheid tot verlenging.
Deze beperking geldt eveneens voor de gemeentelijke belasting op de drijfkracht. Gemeenten zullen opnieuw motoren kunnen belasten waarvan de vijfjarige vrijstelling is verstreken, ook al genoten deze eerder van een regionale vrijstelling.
Deze uitrustingen hebben in principe nooit genoten van een vrijstelling op de onroerende voorheffing voor machines en gereedschappen. Zij blijven volledig onderworpen aan de onroerende voorheffing en aan de lokale aanvullende centiemen, zonder verandering.
- Investeringen tussen 2005 en 2020
Deze activa profiteerden jarenlang van de onbeperkte vrijstelling. De hervorming stelt dat hun vijfjarige vrijstellingsperiode eind 2025 verstreken is. Vanaf het aanslagjaar 2026 worden zij belastbaar voor onroerende voorheffing, met onmiddellijke terugkeer van de gemeentelijke en provinciale aanvullende centiemen. Dit zal waarschijnlijk het aspect zijn dat uw fiscale lasten op korte termijn het meeste zal doen stijgen.
De vrijstelling blijft gelden, maar dan beperkt tot vijf jaar vanaf 1 januari volgend op het jaar van aankoop. Zo zal een uitrusting die werd aangekocht:
Alle nieuwe machines en gereedschappen die vanaf 1 januari 2026 worden aangekocht, genieten een vrijstelling die uiterstenelijk tot vijf jaar beperkt is. Deze periode start op 1 januari van het jaar volgend op de investering. Na deze termijn wordt de onroerende voorheffing volledig verschuldigd. De vrijstelling wordt dus een tijdelijke ondersteuning, in plaats van een permanent voordeel.
De eerste consequentie van deze hervorming is boekhoudkundig. Financiële modellen en rendabiliteitsanalyses moeten voortaan rekening houden met deze onroerende voorheffing die vijf jaar na elke investering in nieuwe machines zal optreden. Deze toekomstige belasting zal de cashflows en operationele marges beïnvloeden. Het is daarom essentieel om lopende projecten te herevalueren en de meerjarige budgettaire prognoses te herzien.
Indien u tussen 2005 en 2020 sterk hebt geïnvesteerd, moet u zich voorbereiden op een aanzienlijke stijging van uw onroerende voorheffing vanaf 2026. Het is verstandig om een nauwkeurige inventaris op te maken van de betrokken uitrustingen en de totale fiscale impact te schatten. Voor recentere investeringen (2021–2025) zal een duidelijke kalender van toekomstige belastingmomenten de cashflowplanning vergemakkelijken en onaangename budgettaire verrassingen vermijden.
De vijfjarige vrijstelling blijft een gewaardeerd voordeel voor nieuwe investeringen. Om echter de financiële aantrekkelijkheid van projecten te maximaliseren, zal men deze beter combineren met andere regionale steunmaatregelen (investeringssubsidies, steun voor ecologische transities) of federale stimuli (investeringsaftrek, enzovoort), of zelfs de investeringsstructuur zelf herdenken.
Gemeenten en provincies krijgen stapsgewijs hun belastingbevoegdheid terug via de aanvullende centiemen en de belasting op de drijfkracht. Houd er rekening mee dat de tarieven sterk kunnen verschillen tussen gemeenten. Als u meerdere vestigingen in Wallonië exploiteert of een nieuwe vestiging overweegt, wordt lokale fiscaliteit een niet te onderschatten analysecriterium.
Terwijl iedereen pleit voor reindustrialisatie en herlokalisatie van productie, lijken onze beleidsmakers meer bezorgd te zijn over hun nieuwe uitgaven en begroting dan over een coherente industriepolitiek. De Waalse hervorming van de onroerende voorheffing op machines en gereedschappen geeft een negatief signaal voor nieuwe investeringen.
Hoe dan ook vereist deze wetswijziging een grondige herziening van financiële prognoses, investeringsstrategieën en fiscale planning van KMO’s. Anticipatie en aanpassing zijn de sleutel om deze regelgevende beperking om te zetten in een kans voor strategische reflectie.