
inkomstenbelasting ; personenbelasting ; berekening van de belasting ; divers inkomen; meerwaardebelasting ; interne meerwaarden ; aanmerkelijk belang ; exit taks ; uitstel van betaling
FOD Financiën, 22.07.2026
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
2. Toepassingsgebied uitzonderingsregime
5. Geen bronheffing – verplicht aan te geven in de aangifte PB
C. Type B: Meerwaarde aanmerkelijk belang
2. Toepassingsgebied bijzonder regime
3.1 Eerste schijf van 1 miljoen euro
5. Geen bronheffing – verplicht aan te geven in de aangifte PB
D. Type C: Restcategorie – algemeen regime
1. Toepassingsgebied algemeen regime
1.1 Definitie van financiële activa
1.2 Overdracht onder bezwarende titel
E. Bepaling van de belastbare basis van de meerwaarde
1. Kort overzicht art. 102 en 102/1, WIB 92
3. Bepaling aanschaffingswaarde in specifieke situaties
3.1 Aandelen en aandelenopties verkregen in bepaalde situaties
3.4 Aanschaffingswaarde niet gekend
3.5 Verkrijging van de hoedanigheid van rijksinwoner
5. Vrijstelling historische meerwaarde
5.2 Waardebepaling op 31.12.2025
5.3 Overdrachten t.e.m. 31.12.2030 – uitzonderingsregeling op verzoek
6.1 Definitie (berekening) minderwaarde en aftrekvoorwaarden
6.2 Bepaling minderwaarde m.b.t. financieel actief verkregen vóór 01.01.2026
7. Levensverzekeringsovereenkomsten
7.2 Verkrijging van de hoedanigheid van rijksinwoner
7.4 Waardebepaling op 31.12.2025
F. Relatie nieuw art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 tot andere bepalingen binnen het WIB 92
1. Relatie tot art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92
2. Relatie tot art. 186, WIB 92 bij inkoop eigen aandelen
3. Relatie tot art. 19bis, WIB 92 - Reynderstaks
4. Relatie tot art. 344, § 1, WIB 92 – algemene antimisbruikbepaling
IV Exit Taks – uitstel van betaling
B. Automatisch uitstel van betaling van de exit taks
1. Principe – Betrokken emigratielanden
2. Voorwaarden voor behoud van het automatische uitstel – Verval van het automatische uitstel
C. Optioneel uitstel (op verzoek) van betaling van de exit taks
1. Principe – Betrokken emigratielanden
2. Einde van het uitstel toegekend op verzoek
E. Definitief verval van de betalingsverplichting van de exit taks met uitstel van betaling
B. Gecoördineerde tekst van het WIB 92
1. Het regeerakkoord van 04.02.2025 voorzag in de invoering van een algemene meerwaardebelasting op de verwezenlijking van meerwaarden op financiële activa (1). In dat akkoord werd deze maatregel aangeduid als een “solidariteitsbijdrage”.
(1) Parl. St. Kamer, DOC 56 0020/001, blz. 26.
2. De wet van 06.04.2026 tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa (BS 21.04.2026 - Numac: 2026002780) (hierna W 06.04.2026) werd ingevoerd ten einde het gedeelte van het regeerakkoord 04.02.2025 m.b.t. de solidariteitsbijdrage uit te werken.
3. Binnen het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) is het toepassingsgebied van deze nieuwe regeling beperkt tot volgende belastingen en voorheffingen:
4. Het specifieke stelsel van de vennootschapsbelasting blijft ongewijzigd.
5. De nieuwe meerwaardebelasting is niet van toepassing in de belasting van niet-inwoners (hierna BNI). Daartoe werden de art. 228 en 232, WIB 92 aangepast. Door deze wijzigingen zijn ook de meerwaarden op aandelen in binnenlandse vennootschappen die voortkomen uit speculatie of uit abnormaal beheer van een privévermogen eveneens niet langer belastbaar in de BNI.
6. Hierna worden de wijzigingen en aanvullingen binnen Titel 2 van het WIB 92 ingevolge deze wet toegelicht. In deze circulaire zal dus enkel de impact van de wetgeving op de personenbelasting opgenomen worden. De gevolgen van de nieuwe regeling voor de rechtspersonenbelasting en de roerende voorheffing zullen besproken worden in afzonderlijke circulaires.
Daarnaast worden in deze circulaire ook de wijzigingen en aanvullingen in Titel 7 van het WIB 92, ”Vestiging en inning van de belasting” besproken.
7. De bedoelde meerwaarden zijn deze die verwezenlijkt worden buiten enige beroepswerkzaamheid. Ze worden dus beschouwd als divers inkomen, en zijn daarom terug te vinden in art. 90, WIB 92. De meerwaarden verwezenlijkt op financiële activa behorende tot een beroepswerkzaamheid blijven belastbaar als beroepsinkomen.
8. De bedoelde meerwaarden worden verwezenlijkt binnen het normaal beheer van het privévermogen. De nieuwe regeling doet geen afbreuk aan de toepassing van art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92 waarbij een verwezenlijking van een meerwaarde op financiële activa die niet kadert in het normale beheer van het privévermogen of een speculatieve handeling uitmaakt, belastbaar is aan een tarief van 33 % (te verhogen met gemeentelijke opcentiemen) (2) (zie randnummers 191 e.v.).
(2) Art. 171, 1°, WIB 92 en art. 466, eerste lid, WIB 92.
9. Het regime is bovendien enkel van toepassing wanneer een meerwaarde naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel verwezenlijkt wordt. In die optiek bevat het regime drie types van overdrachten onder bezwarende titel:
- Type A: uitzonderingsregime = interne meerwaarde (3)
- Type B: bijzonder regime = meerwaarden verwezenlijkt op bepaalde aanmerkelijke deelnemingen (aanmerkelijk belang) (4)
- Type C: algemeen regime = restcategorie (5)
Een overdracht kan slechts onder één bepaling vallen, nl. de meest specifieke. Onder type C kunnen dus enkel de verwezenlijkte meerwaarden vallen die niet worden beoogd onder type A of B. Het uitzonderingsregime m.b.t. interne meerwaarden (type A) heeft ook steeds voorrang op het bijzonder regime (type B).
(3) Art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92.
(4) Art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92.
(5) Art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92.
10. In beginsel wordt de meerwaarde slechts verwezenlijkt bij een overdracht onder bezwarende titel. Een overdracht ten kosteloze titel valt niet onder het toepassingsgebied van art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92. De overdrager moet een voordeel ontvangen in ruil voor de financiële activa die hij overdraagt. Meer informatie is terug te vinden onder randnummers 83 e.v.
11. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, hebben de hierna besproken meerwaarden betrekking op meerwaarden die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en in het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen zijn verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel.
12. Art. 92, § 3, a), WIB 92 bepaalt dat de in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 bedoelde meerwaarden inkomsten vormen in hoofde van de eigenaar of de blote eigenaar van de overgedragen financiële activa. De vruchtgebruiker wordt dus niet aangemerkt als belastingplichtige binnen de meerwaardebelasting.
Art. 92, § 3, a), WIB 92 vertrekt van de situatie waarin een financieel actief is bezwaard met een vruchtgebruik (wettelijk of conventioneel). Wanneer dit financieel actief wordt vervreemd, verdwijnt het zakelijke recht zowel uit het vermogen van de vruchtgebruiker als uit dat van de blote eigenaar. In een dergelijke situatie wijst de wet de blote eigenaar aan als de belastingplichtige voor de meerwaarde die bij de vervreemding wordt verwezenlijkt. M.a.w., als een financieel actief gesplitst wordt aangehouden door een blote eigenaar en een vruchtgebruiker, wordt een bij de overdracht van het financieel actiefverwezenlijkte meerwaarde volledig toegerekend aan de blote eigenaar.
Als daarentegen enkel het vruchtgebruik op een financieel actief wordt verkocht door de vruchtgebruiker, kan er geen meerwaardebelasting worden geheven(zie evenwel randnummer 210). Dergelijke transactie kan immers zonder het medeweten of goedvinden van de blote eigenaar gebeuren en is dan ook niet belastbaar in zijn hoofde. De vruchtgebruiker kan binnen de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 immers niet beschouwd worden als belastingplichtige zodat deze transactie niet kan worden belast.
Dit is ook het geval bij een omzetting van het vruchtgebruik in een geldsom.
Bij de uitdoving van het (wettelijk) vruchtgebruik door bijvoorbeeld overlijden, is er ook geen verwezenlijking (6).
(6) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 30.
13. Er kan ook sprake zijn van een overdracht onder bezwarende titel wanneer de volle eigenaar enkel het vruchtgebruik van een financieel actief overdraagt. Wanneer bij zo’n overdracht een meerwaarde wordt verwezenlijkt, is die meerwaarde belastbaar ten name van de blote eigenaar (die eerder volle eigenaar was) overeenkomstig art. 92, § 3, a), WIB 92.
14. In tegenstelling tot het voorgaande zijn meerwaarden op levensverzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen die worden verwezenlijktovereenkomstig het nieuwe art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92, belastbaar in hoofde van de rechthebbende.
15. De hiervoor vermelde principes ter bepaling van de belastingplichtige zijn van toepassing met inachtneming van art. 127, WIB 92. Dat betekent dat bij gehuwden steeds rekening zal moeten worden gehouden met het huwelijksvermogensrecht (7). Indien een goed door de werking van het huwelijksvermogensrecht als een gemeenschappelijk goed wordt aangemerkt, moet de meerwaarde overeenkomstig art. 127, 4°, WIB 92 door beide echtgenoten elk voor de helft worden aangegeven. Wordt een goed volgens het huwelijksvermogensrecht als een eigen goed aangemerkt, dan moet de meerwaarde overeenkomstig art. 127, 3°, WIB 92 uitsluitend door die echtgenoot worden aangegeven. Als een goed eigen is op basis van de “titre et finance-regeling”, zoals vermeld in art. 2.3.19, 5°, Nieuw Burgerlijk Wetboek, wordt het ook fiscaal als eigen behandeld, zelfs wanneer het gefinancierd werd met gemeenschappelijke middelen. De beoordeling gebeurt dus uitsluitend in hoofde van de belastingplichtige die de “titre” bezit. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het feit dat de vermogenswaarde van de aandelen op basis van het huwelijksvermogensrecht geacht wordt te behoren tot het gemeenschappelijke vermogen. Op basis van art. 2.3.22 juncto 2.3.43, § 3, 1°, Nieuw Burgerlijk Wetboek kan de andere echtgenoot een"vermogensaanspraak" op deze waarde immers pas uitoefenen op het moment van ontbinding van het huwelijksstelsel. Dan wordt de waarde van de aandelen mee in aanmerking genomen om de omvang van de (in principe gelijk) te verdelen huwelijksgemeenschap te bepalen. Belangrijk is dat deze vermogensaanspraak geen recht geeft op de helft van de aandelen “in natura”. De aandelen zelf maken – anders dan hun waarde – geen deel uit van de te verdelen boedel (8).
(7) De logica opgenomen onder de randnummers 47 en 48 van de circulaire Ci.RH.331/569.662 (AOIF 15/2005) van 14.04.2005 kan ook hier worden toegepast.
(8) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 22.
16. Wanneer een niet-ontvoogde minderjarige eigenaar of blote eigenaar is van een financieel actief waarop een meerwaarde wordt verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel, dan is die meerwaarde belastbaar in hoofde van die minderjarige. Als belastingplichtige heeft deze minderjarige dan ook het recht om de vrijstellingen in te roepen zoals voorzien in art. 96/2, 1°, 2° en 3°, WIB 92 (zie randnummers 51, 92 en 93). De minderjarige zal eveneens kunnen genieten van het basisbedrag van de belastingvrije som zoals voorzien in art. 131, WIB 92.
17. De nieuwe regeling is van toepassing op de meerwaarden die worden verwezenlijkt vanaf 01.01.2026. De historische meerwaarden worden vrijgesteld. Daarom zullen de meerwaarden verwezenlijkt op financiële activa die vóór 01.01.2026 zijn verworven, berekend worden rekening houdend met de waarde van deze financiële activa op 31.12.2025 als verkrijgingsprijs.
18. Omdat er in art. 204, 4°, d) van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92) enkel verwezen wordt naar de meerwaarden zoals vermeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 wordt het belastbaar tijdperk bepaald op basis van het begrip “verwezenlijking” zoals opgenomen in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92. Het moment van verwezenlijking is dus bepalend. Van zodra het financieel actief ingevolge een overdracht onder bezwarende titel is verdwenen uit het vermogen van de belastingplichtige en door een tegenwaarde wordt vervangen is er sprake van een verwezenlijking en kan de meer- of minderwaarde worden bepaald (9). De effectieve betaling is geen bepalend element. Het feit dat de prijs nog niet (volledig) is betaald heeft hierop geen impact.
Dit heeft ook als gevolg dat uitgestelde betalingen van overdrachten onder bezwarende titel die zijn verwezenlijkt vóór 01.01.2026, maar pas na 31.12.2025 worden betaald, niet onder de meerwaardebelasting vallen.
Voor bancaire beleggingsproducten wordt aangenomen dat de verwezenlijking gebeurt op de transactiedatum (trade date) en niet op de vereffeningsdatum (settlement date). Op de transactiedatum staat de prijs immers definitief vast en is de belegger contractueel gebonden. Daarom wordt deze datum gebruikt om te bepalen in welk belastbaar tijdperk de meerwaarde wordt verwezenlijkt.
(9) Zie Com.IB 92, 24/54 en 24/55.
19. Een verschuiving van het belastbaar tijdperk is enkel mogelijk wanneer een deel van de prijs op het moment van de overdracht van een financieel actief nog niet vaststaat (10). In dat geval wordt het nog te bepalen saldo pas belast in het belastbaar tijdperk waarin het saldo van de tegenwaarde zeker en vaststaand is. Dit betekent dat, wanneer een deel van de prijs wél vaststaat op het moment van overdracht, de meerwaarde op basis van dat vaststaande gedeelte onmiddellijk wordt belast in het belastbaar tijdperk van de overdracht. In het belastbaar tijdperk waarin het resterende saldo kan worden bepaald (zeker en vaststaand wordt), wordt vervolgens dat saldo belast als meerwaarde. In beide belastbare tijdperken kan de belastingplichtige de vrijstellingen vragen zoals voorzien in art. 96/2, WIB 92 (zie randnummers 51, 92 en 93). Indien de aanmerkelijk belangtarieven en vrijstellingen van toepassing zijn op het gedeelte van de meerwaarde dat vaststaat op het moment van de overdracht dan zullen deze tarieven en vrijstellingen ook van toepassing zijn op het in een later belastbaar tijdperk betaalde saldo (11).
Op te merken is dat de overdracht onder bezwarende titel verwezenlijkt moet zijn na 31.12.2025 om onder de toepassing te vallen van de meerwaardebelasting. Indien de overdracht werd verwezenlijkt vóór 01.01.2026 dan zal de saldobetaling evenmin kunnen worden belast als meerwaarde.
(10) Bv. in geval van earn-out regelingen.
(11) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 157.
20. Een interne meerwaarde kan ontstaan ingevolge de overdracht van aandelen of winstbewijzen door een belastingplichtige aan een vennootschap die hij zelf of samen met zijn naaste familie rechtstreeks of onrechtstreeks controleert. Deze overdracht kan gebeuren door een inbreng of een verkoop. De inbrengwaarde of verkoopwaarde van de aandelen of winstbewijzen kan groter zijn dan de aanschaffingswaarde van die aandelen of winstbewijzen.
21. Door de aanpassing van art. 184, vierde lid, WIB 92, via de programmawet van 25.12.2016 (BS 29.12.2016 – Numac: 2016021100) (hierna PW 25.12.2016), heeft de wetgever reeds een einde gemaakt aan het fiscaal voordelige karakter van de interne meerwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van een inbreng van aandelen, de creatie van werkelijk gestort kapitaal en een latere kapitaalvermindering vrij van roerende voorheffing. In combinatie met de toepassing van art. 18, tweede lid, WIB 92 (gewijzigd ingevolge de wet van 17.03.2019 (BS 10.05.2019 - Numac: 2019012297), waarbij de vennootschapsrechtelijke kapitaalvermindering vanuit een fiscaal oogpunt proportioneel wordt toegerekend op het gestorte kapitaal en op de belaste reserves, werd de mogelijkheid om de nettowinst van een werkvennootschap belastingvrij op te stromen naar een (familiale) holdingvennootschap gevolgd door een belastingvrije kapitaalvermindering bijgevolg quasi uitgesloten.
Ingevolge art. 184, vierde lid, WIB 92 zal in de situatie waarbij er een inbreng van aandelen gebeurt in een (familiale) holdingvennootschap, de waarde van het fiscaal gestort kapitaal gelijk worden gesteld aan de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger. De eventuele meerwaarde(wanneer de waarde van de aandelen op het moment van inbreng groter is dan de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen) wordt aanzien als een belaste reserve. Als de meerwaarde wordt uitgekeerd, zal deze dus niet gekwalificeerd worden als fiscaal gestort kapitaal, maar als dividend.
Dit type meerwaarde valt in beginsel onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling, maar is uitdrukkelijk vrijgesteld (12) aangezien de meerwaarde bij kapitaalvermindering quasi volledig zal worden belast aan de gewone tarieven van de roerende voorheffing. Meer hierover is te vinden in de circulaire 2017/C/85 van 20.12.2017 betreffende het begrip gestort kapitaal in het kader van bepaalde verrichtingen.
(12) Toepassing van art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92.
22. Wat betreft de interne meerwaarden die worden verwezenlijkt naar aanleiding van een verkoop van aandelen, bleef het principe dat deze van belasting werden vrijgesteld tenzij zij het normaal beheer van een privévermogen te buiten gingen. Toch werden ook hier misbruiken vastgesteld. Bij een verkoop van aandelen van de werkvennootschap aan een eigen holdingvennootschap werd de verkoopprijs binnen de holdingvennootschap geboekt op een rekening-courant ten gunste van de verkopende aandeelhouder. Later werd dan de terugbetaling veelal gefinancierd door het via de DBI-regeling belastingvrij opstromen van reserves van de overgedragen vennootschap naar de holdingvennootschap. Dit mechanisme werd bestreden door de toepassing van art. 344, § 1, WIB 92 (algemene antimisbruikbepaling), en dit door het belastingvrij opstromen van de reserves te herkwalificeren als een dividenduitkering onderworpen aan de roerende voorheffing (13).
(13) Zie arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 29.04.2025 (2023/AR/528).
23. In de situatie waarbij de schuldvordering op de rekening-courant werd ingebracht in het kapitaal van de holdingvennootschap werd de verkoop van aandelen op basis van de algemene antimisbruikbepaling geherkwalificeerd als een inbreng van aandelen. Op die wijze werd in toepassing van art. 184, vierde lid, WIB 92 de waarde van het fiscaal gestort kapitaal gelijk gesteld aan de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de verkochte aandelen (zie randnummer 21).
24. Omdat er via de PW 25.12.2016 reeds een einde werd gemaakt aan de fiscale voordelen verkregen m.b.t. de interne meerwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van een inbreng van aandelen (zie randnummer 21), werd binnen het nieuwe regime een specifieke vrijstelling voorzien m.b.t. een inbreng van aandelen (gewijzigd art. 95 en nieuw art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92). Daardoor beperkt het toepassingsgebied van het uitzonderingsregime zich in de praktijktot interne meerwaarden die worden verwezenlijkt bij de verkoop van aandelen en winstbewijzen, evenals bij de inbreng van winstbewijzen. Dit belet dat in die gevallen een beroep moet worden gedaan op de algemene antimisbruikbepaling (zie randnummers 22 en 23).
25. Wanneer een meerwaarde wordt verwezenlijkt door een belastingplichtige door de overdracht van zijn aandelen of winstbewijzen hoe ook genaamd aan een vennootschap waarover hij - alleen of samen met naaste familie - rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent zoals bedoeld in art. 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna WVV), zal de volledige verwezenlijkte meerwaarde voortaan automatisch en volledig belastbaar zijn als divers inkomen (14).
Met naaste familie van de overdrager worden volgende familieleden bedoeld:
- de echtgeno(o)t(e) of de wettelijk samenwonende partner (15), de afstammelingen, de ascendenten, de zijverwanten tot en met de tweede graad en
- de afstammelingen, de ascendenten en de zijverwanten tot en met de tweede graad van de echtgeno(o)t(e) of van de wettelijk samenwonende partner.
(14) Art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92.
(15) Art. 2, § 1, 2°, WIB 92.
26. Art. 1:14, WVV definieert “controle” als volgt:
“§ 1. Onder "controle" over een vennootschap wordt verstaan, de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.
§ 2. De controle is in rechte en wordt onweerlegbaar vermoed:
1° wanneer zij voortvloeit uit het bezit van de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen of andere effecten van de betrokken vennootschap;
2° wanneer een vennoot het recht heeft de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders te benoemen of te ontslaan;
3° wanneer een vennoot krachtens de statuten van de betrokken vennootschap of krachtens met die vennootschap gesloten overeenkomsten over de controlebevoegdheid beschikt;
4° wanneer op grond van een overeenkomst met andere vennoten van de betrokken vennootschap, een vennoot beschikt over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen of andere effecten van die vennootschap;
5° in geval van gezamenlijke controle.
§ 3. De controle is in feite wanneer zij voortvloeit uit andere factoren dan bedoeld in paragraaf 2.
Een vennoot wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed over een controle in feite te beschikken op een vennootschap, wanneer hij op de voorlaatste en laatste algemene vergadering van deze vennootschap stemrechten heeft uitgeoefend die de meerderheid vertegenwoordigen van de stemrechten verbonden aan de op deze algemene vergaderingen vertegenwoordigde aandelen of andere effecten”.
27. De controlevoorwaarde binnen de overnemende vennootschap moet in principe (zie evenwel randnummer 207) beoordeeld worden op het moment van overdracht van de aandelen of winstbewijzen.
28. Het uitzonderingsregime zal dus worden toegepast in hoofde van X, een natuurlijke persoon die 100 % aandeelhouder is van een werkvennootschap, wanneer hij al zijn aandelen verkoopt aan een holdingvennootschap waarin X, alleen of samen met zijn naaste familie de meerderheid van de aandelen aanhoudt. Het uitzonderingsregime geldt eveneens wanneer X slechts een minderheidsparticipatie in de werkvennootschap verkoopt aan de holdingvennootschap. Het enige relevante criterium is immers dat X, alleen of samen met zijn naaste familie, controle uitoefent op de holdingvennootschap.
29. Het uitzonderingsregime zal evenwel niet worden toegepast indien bijvoorbeeld de ouders, in het kader van een familiale opvolging, al hun aandelen van een familiale onderneming overdragen aan hun kinderen of aan de holdings van die kinderen. Dergelijke overdrachten kunnen wel onder het stelsel van aanmerkelijke belangen vallen (zie type B hierna) of onder het algemeen regime (zie type C hierna).
30. Indien een aandeelhouder zijn aandelen in de werkvennootschap overdraagt aan een private equity (PE) vennootschap (nieuwe holdingvennootschap), maar in het kader van de overnameovereenkomst verplicht is om zelf ook kapitaal te investeren in die holding (zgn. skin in the game-clausules), zal het uitzonderingsregime doorgaans niet van toepassing zijn. De reden is dat de aandeelhouder gedurende een bepaalde periode na de overname de rechtstreekse of onrechtstreekse controle, zoals bedoeld in art. 1:14, WVV, samen met een derde (nl. het private equity fonds) uitoefent (16).
Art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92 bepaalt uitdrukkelijk dat er enkel sprake kan zijn van een interne meerwaarde indien de verkopende aandeelhouder ‘alleen’ controle uitoefent over de nieuwe holdingvennootschap of ‘samen met zijn naaste familie’.
Met andere woorden: in de gevallen waarin er sprake is van gezamenlijke controle ”samen met het private equity fonds”, kan art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92 geen toepassing vinden.
De gebruikelijke bepalingen in overeenkomsten tussen een private equity fonds en een verkopende aandeelhouder - zoals:
- vetorechten over bepaalde beslissingen op het niveau van de PE vennootschap,
- afspraken over de oriëntatie van het beleid (strategie, budgetten, overnames, groei, etc.), bindende voordrachtrechten voor het bestuursorgaan,
vormen op zichzelf geen bewijs van controle in de zin van art. 1:14, WVV. Bijgevolg kan in die situaties de verkopende aandeelhouder niet worden beschouwd als een partij die controle uitoefent voor de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92.
Ook bij een “management buy-out”, waarbij:
- het management de meerderheid van de aandelen in het overnamevehikel verwerft,
- en de verkopende aandeelhouder slechts een minderheid van de aandelen behoudt of verwerft in het overnamevehikel,
zullen de gemaakte afspraken in de overnameovereenkomst in principe niet bepalend zijn. De voorwaarde rond “controle” zal steeds moeten worden beoordeeld op basis van art. 1:14, WVV (17).
(16) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 158.
(17) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 159.
31. De interne meerwaarden verwezenlijkt ingevolge een verkoop van aandelen of winstbewijzen, zijn onderworpen aan een aanslagvoet van 33 % (18) tenzij globalisatie voordeliger is (19). Daarbij worden geen gemeentelijke opcentiemen toegepast (20).
(18) Art. 171, 1°, a), WIB 92.
(19) Art. 171, inleidende zin, WIB 92.
(20) Art. 466, tweede lid, WIB 92.
32. De meerwaarden ontstaan ingevolge een inbreng van aandelen vallen in beginsel onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling, maar zijn uitdrukkelijk vrijgesteld (21). Art. 184, vierde lid, WIB 92 - waarmee de wetgever eerder al een einde maakte aan het fiscaal voordelige karakter voor interne meerwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van een inbreng van aandelen (zie randnummer 21) - is hiervoor aangepast en verwijst nu naar art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Het betreft echter een tijdelijke vrijstelling. Bij een latere overdracht van de in ruil ontvangen aandelen wordt immers rekening gehouden met de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen (zie randnummer 139).
(21) Art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92.
33. Op te merken is dat de vrijstelling van meerwaarden ingevolge een inbreng van aandelen eveneens van toepassing is in situaties waarbij de overdrager van de aandelen (samen met zijn naaste familie) op de overnemer geen rechtstreekse of onrechtstreekse controle uitoefent zoals bedoeld in art. 1:14, WVV.
34. Ook in de situatie waarin de aandelen ingebracht worden in een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid is de vrijstelling van toepassing (zie randnummer 90).
35. De vrijstelling zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92, geldt enkel voor de inbreng van aandelen en is dus niet van toepassing op meerwaardenverwezenlijkt naar aanleiding van een inbreng van winstbewijzen of van andere financiële activa.
36. De bestaande vrijstelling voorzien in art. 95, WIB 92 (22) blijft behouden en wordt daarom expliciet uitgesloten binnen art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Op te merken is dat naar aanleiding van de invoering van het nieuwe stelsel van de meerwaardebelasting op financiële activa, art. 95, WIB 92 wel werd gewijzigd.De vrijstelling opgenomen in art. 95, WIB 92 betreft een tijdelijke vrijstelling. Ook hier zal bij een latere overdracht van de in ruil ontvangen aandelen rekening worden gehouden met de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen (23).
(22) Vrijstelling m.b.t. een inbreng die onder de Europese fusierichtlijn valt. Het betreft de richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit de verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat.
(23) Art. 95, vierde lid, WIB 92.
37. De interne meerwaarden zoals voorzien in art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92 zijn niet onderworpen aan een bronheffing (= roerende voorheffing). De niet-toepassing van een bronheffing met betrekking tot de interne meerwaarden volgt uit het “interne” karakter van deze operatie, waarbij dezelfde belastingplichtige alleen of samen met zijn naaste familie zowel de overdrager als de verkrijger is. Hierbij moet er wel verwezen worden naar art. 326bis, WIB 92 waarin een meldingsplicht is voorzien voor tussenpersonen die betrokken zijn bij dergelijke verrichtingen (voor meer informatie zie randnummers 211 e.v.).
38. De meerwaarde is verplicht aan te geven in de aangifte personenbelasting verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde werd verwezenlijkt.
39. Vóór de invoering van het huidige regime werd binnen het normaal beheer van het privévermogen alleen een inkomstenbelasting geheven op meerwaarden op aandelen die rechten vertegenwoordigen in een binnenlandse vennootschap, wanneer:
- die meerwaarden waren verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel van die aandelen aan een rechtspersoon bedoeld in art. 227, 2° of 3°, WIB 92,
- waarvan de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer buiten een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte (hierna EER) wasgevestigd,
- en de meerwaarde werd verwezenlijkt buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid.
Daarnaast gold als bijkomende voorwaarde dat de overdrager - of zijn rechtsvoorganger indien de aandelen niet onder bezwarende titel waren verkregen - op enig tijdstip in de loop van vijf jaar vóór de overdracht, alleen of samen met zijn echtgenoot of zijn afstammelingen, zijn ascendenten, zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot, middellijk of onmiddellijk meer dan 25 % heeft bezeten van de rechten in de vennootschap waarvan de aandelen werden overgedragen (24).
(24) Art. 90, eerste lid, 9°, tweede streepje, WIB 92 (t.e.m. inkomstenjaar 2025).
40. Ingevolge de invoering van het nieuwe regime worden voormelde bepalingen in het huidige art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 opgeheven. In het verlengde daarvan wordt ook de bijhorende antimisbruikbepaling zoals opgenomen in art. 94, WIB 92 opgeheven.
41. Eveneens wordt in art. 171, 4°, e), WIB 92 de verwijzing naar het oude art. 90, eerste lid, 9°, tweede streepje, WIB 92 geschrapt. Deze meerwaarden waren immers in het verleden belastbaar tegen een tarief van 16,5%.
42. Art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 voert een specifieke regeling in voor belastingplichtigen die een aanmerkelijk belang van minstens 20 % aanhouden binnen een vennootschap waarvan ze de aandelen overdragen. De basisvoorwaarden (25) zijn hier eveneens van toepassing, in die zin dat het moet gaan om een overdracht onder bezwarende titel van de aandelen, verwezenlijkt buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en in het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen (zonder speculatief karakter).
(25) Art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92.
43. Hierbij moet worden gewezen op het onderscheid tussen de financiële activa waarop het regime inzake aanmerkelijke belangen van toepassing is — namelijk "aandelen, hoe ook genaamd" — en het regime inzake interne meerwaarden volgens art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92 dat ruimer verwijst naar "aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd".
Dit onderscheid is bewust gemaakt. Het is immers de bedoeling om een restrictieve invulling te geven aan de toepassing van het voordeligere regime voor aanmerkelijke belangen en om deze reden is het toepassingsgebied beperkt tot enkel aandelen. Een winstbewijs vormt weliswaar een recht in de vennootschap, maar het vertegenwoordigt geen recht in het kapitaal en heeft daarom een totaal andere vorm van vermogenswaarde.
44. De verwijzing naar de notie “vennootschap” moet begrepen worden in de zin van art. 2, § 1, 5°, a), WIB 92. Voor buitenlandse rechtsvormen moet er in eerste instantie gekeken worden naar de aanwezigheid van rechtspersoonlijkheid naar buitenlands recht. Bijkomend moet er afgetoetst worden dat er sprake is van een vennootschap die een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard (26).
(26) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 161.
45. Opdat het bijzonder regime voor aanmerkelijke belangen van toepassing zou zijn, moet de belastingplichtige rechtstreeks aandelen hebben aangehouden die hem minimum 20 % van de rechten verschaffen in de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen.
Dit impliceert rechten in het kapitaal zoals bedoeld in art. 2, § 1, 6°, WIB 92:
1) het kapitaal van een naamloze vennootschap zoals bedoeld in het WVV, of, in geval van een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgisch of buitenlands recht dat haar beheerst in een gelijkaardig begrip voorziet, het begrip zoals bedoeld in dat recht;
2) voor vennootschapsvormen waarvoor het Belgisch of buitenlands recht dat de vennootschap beheerst niet in een gelijkaardig begrip voorziet, het eigen vermogen van de vennootschap als bedoeld in het Belgisch recht of het buitenlands recht dat de vennootschap beheerst, in zoverre het gevormd wordt doorinbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid.
46. De drempel van 20 % is van toepassing ongeacht het type van de aandelen. Bestaan er bijvoorbeeld A-, B- en C-aandelen met verschillende stemrechten, dan moet de 20 %-grens worden beoordeeld op basis van alle aandelen (A-, B- en C-aandelen) samen. Bij de invulling van het begrip “rechten in het kapitaal” wordt immers geen rekening gehouden met het percentage in de stemrechten (27).
(27) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 160 en 161.
47. Alleen het bezit van minstens 20 % is doorslaggevend. Het al dan niet bestuurder zijn in de vennootschap is niet relevant voor het beoordelen van de grens. Ook stille vennoten zullen in aanmerking kunnen komen voor de aanmerkelijk belang-regeling.
Winstbewijzen, optie- en warrantplannen worden niet in aanmerking genomen ter bepaling van de 20 % drempel (28).
(28) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 24 .
48. In tegenstelling tot het regime van de interne meerwaarden speelt het binnen dit bijzonder regime geen rol aan wie de aandelen overgedragen worden. Belangrijk is wel dat de overdrager zelf op het moment van de overdracht minstens 20 % van de rechten in de vennootschap moet aanhouden. De deelnemingen aangehouden door zijn naaste familie spelen binnen dit regime geen rol voor het bepalen van de participatievoorwaarde van 20 %.
Indien de aandelen tot het gemeenschappelijk vermogen van een gehuwd koppel behoren, dan zal op het moment van overdracht onder bezwarende titel van de aandelen (of een gedeelte daarvan) een participatie van 40 % noodzakelijk zijn om onder het regime van het aanmerkelijk belang te vallen (29).
Voor aandelen die onder de “titre et finance-regeling” vallen, zal de beoordeling van de participatievoorwaarde gebeuren in hoofde van de belastingplichtige die de “titre” bezit (zie randnummer 15).
(29) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 22.
49. Voorbeelden:
- Een gehuwd koppel waarvan elke partner 10 % van de aandelen van een vennootschap bezit (samen dus 20 %), zal bij de verkoop van de aandelen niet in aanmerking komen voor het bijzonder regime. Hetzelfde geldt indien de ouders samen 20 % in eigendom hebben en hun 4 kinderen elk 5 %. Ook dan voldoet geen enkel familielid afzonderlijk aan de vereiste deelneming van 20 %, waardoor het bijzonder regime voor niemand van toepassing is.
- Een belastingplichtige die 10 % van de aandelen in volle eigendom en 13 % in blote eigendom bezit, komt bij de verkoop van de aandelen in aanmerking voor het bijzonder regime. Omdat de belasting wordt geheven in hoofde van de eigenaar of blote eigenaar zal de beoordeling van de 20 %-grens eveneens gebeuren in hoofde van de eigenaar/blote eigenaar. Een belastingplichtige die 10 % van de aandelen in vruchtgebruik en 13 % in blote eigendom bezit, komt bijgevolg niet in aanmerking voor het bijzonder regime.
- Een familiebedrijf is in handen van twee broers, Rik en Jan, die elk 50 % van de aandelen bezitten. Wanneer Rik overlijdt gaat het vruchtgebruik van zijn aandelen naar zijn echtgenote, terwijl de 3 kinderen elk 1/3 van de blote eigendom van deze aandelen verkrijgen. Als het familiebedrijf na het overlijden van Rik verkocht wordt, komt alleen Jan in aanmerking voor het bijzonder regime, omdat hij 50 % van de aandelen in volle eigendom bezit. De kinderen van Rik bezitten elk 16,67 % (1/3 van 50 %) van de blote eigendom van de aandelen in handen en komen dus niet in aanmerking voor het bijzonder regime.
- Indien een belastingplichtige 25 % van de aandelen van een vennootschap bezit en in hetzelfde belastbaar tijdperk eerst 10 % van de aandelen verkoopt en nadien de overige 15%, komt alleen de eerste verkoop in aanmerking voor het bijzonder regime. Het beoordelen van de grens van 20 % gebeurt immers voor iedere verkoop afzonderlijk en wel op het moment van die overdracht.
- Indien een kapitaalsverhoging tot gevolg heeft dat een aanvankelijke participatie van meer dan 20 % verwatert tot een participatie van minder dan 20 % dan zal een latere verkoop van de aandelen niet in aanmerking komen voor het bijzonder regime.
- Indien een belastingplichtige 19 % van de aandelen van een vennootschap bezit en in hetzelfde belastbare tijdperk bijkomend 1 % van de aandelen verwerft, zal een eventuele latere verkoop in aanmerking komen voor het bijzondere regime. De beoordeling van de grens van 20 % gebeurt immers steeds op het ogenblik van de overdracht.
50. Het uitzonderingsregime m.b.t. interne meerwaarden (type A) heeft steeds voorrang op dit bijzonder regime (type B). Daarnaast kan het bijzonder regime – wanneer aan de voorwaarden is voldaan – ook toepassing vinden bij een inkoop van eigen aandelen (zie randnummer 200).
51. Belastingplichtigen die onder het bijzonder regime vallen, kunnen genieten van een vrijstelling van belasting op de eerste schijf van 1 miljoen euro aan meerwaarden in toepassing van art. 96/2, eerste lid, 1°, WIB 92. Deze vrijstelling is slechts beschikbaar gedurende 5 opeenvolgende belastbare tijdperken(30). De vrijstelling moet dus worden beschouwd als een “rugzak” die de belastingplichtige gedurende die 5 opeenvolgende belastbare tijdperken kan aanwenden. Dit betekent dat het beschikbare bedrag van de schijf van 1 miljoen euro wordt verminderd met het gedeelte van de meerwaarde dat in de vier voorgaande belastbare tijdperken reeds werd vrijgesteld op basis van dezelfde bepaling waarvan de belastingplichtige toen heeft genoten.
Wanneer het belastbare tijdperk, om een andere reden dan overlijden, niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, dan zal het hiervoor vermelde bedrag van de vrijstelling verminderd worden en dit in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden. Om de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden te bepalen, wordt elke kalendermaand waarvan de vijftiende dag tot het belastbare tijdperk behoort, als een volledige maand in aanmerking genomen (31). Het bedrag van de vrijstelling zal niet worden geïndexeerd (32).
(30) Art. 96/2, tweede lid, WIB 92.
(31) Art. 129/1, eerste lid en tweede lid, WIB 92.
(32) Art. 178, § 5, 4°, WIB 92.
52. Voorbeelden:
a. Belastingplichtige verkoopt zijn aandelen in een vennootschap waarin hij gedurende de belastbare tijdperken X t.e.m. X+5 een aanmerkelijk belang van meer dan 20 % blijft aanhouden. Hij verwezenlijkt de volgende meerwaarden, waarbij het belastbaar tijdperk (hierna BT) telkens samenvalt met een kalenderjaar:
- BT X, X+1 en X+2: een meerwaarde van 500.000 euro
- BT X+5: een meerwaarde van 1.000.000 euro
In die situatie kan de belastingplichtige in het BT X en het BT X+1 een beroep doen op een vrijstelling van 500.000 euro. In het BT X+2 kan de belastingplichtige geen vrijstelling meer toepassen, omdat het beschikbare vrijstellingsbedrag volledig gebruikt is in het BT X en BT X+1. In het BT X+5 kan de belastingplichtige opnieuw een beroep doen op een vrijstelling ten belope van 500.000 euro. Op dat moment moet hij immers enkel nog rekening houden met de vrijstelling die 4 BT eerder (in het BT X+1) werd gebruikt. De vrijstelling die in het BT X werd benut, valt namelijk buiten de periode van 5 opeenvolgende BT.
b. Dezelfde belastingplichtige als in voorbeeld a. hiervoor, maar in dit geval verwezenlijkt hij de volgende meerwaarden:
- BT X, X+1 en X+2: een meerwaarde van 500.000 euro
- BT X+5: een meerwaarde van 1.000.000 euro
- Het BT van X en X+5 is slechts 3 maanden. De andere BT stemmen steeds overeen met een kalenderjaar.
Omdat het BT X slechts 3 maanden duurt, kan de belastingplichtige in het BT X slechts een beroep doen op een vrijstelling van 250.000 euro (zijnde 3/12 van 1 miljoen euro). In het BT X+1 kan de belastingplichtige een beroep doen op een vrijstelling van 500.000 euro. In het BT X+2 kan hij beroep doen op een vrijstelling van 250.000 euro. Omdat er in het BT X en X+1 reeds 750.000 werd vrijgesteld, kan er in het BT X+2 slechts 250.000 euro worden vrijgesteld. In het BT X+5 heeft de belastingplichtige in beginsel recht op een vrijstelling ten belope van 250.000 euro (zijnde 3/12 van 1 miljoen euro) omdat het BT X+5 slechts 3 maanden duurt. Maar voor het BT X+5 moet de belastingplichtige kijken naar de 4 voorgaande BT. In die 4 BT werd in totaal een vrijstelling genoten van 750.000 euro (BT X+1: 500.000 euro en X+2: 250.000 euro). Daardoor heeft de belastingplichtige in het BT X+5, overeenkomstig art. 96/2, tweede lid, WIB 92, geen recht meer op een vrijstelling.
c. Een echtpaar bezit samen 52 % van de aandelen van hun familiale vennootschap in volle eigendom (elk 26 %). Daarnaast hebben ze samen 48 % van de overige aandelen in vruchtgebruik (elk 24 %), terwijl de blote eigendom van die aandelen in handen is van hun drie kinderen (elk 16 %). Wanneer alle aandelen aan een derde worden verkocht, komt elke ouder voor de verkoop van zijn/haar aandelen die ze in volle eigendom hebben (elk 26 %), wel in aanmerking voor het bijzonder regime. Zij kunnen dus elk genieten van een vrijstelling tot 1 miljoen euro op de verwezenlijkte meerwaarde over hun 26 % van de aandelen die ze in volle eigendom bezaten. De meerwaarde die betrekking heeft op de overige 48 % van de aandelen waarvan de ouders enkel het vruchtgebruik hebben, is belastbaar ten name van ieder kind (elk voor 1/3), aangezien zij de blote eigenaars zijn. De kinderen zullen dus niet kunnen genieten van het bijzonder regime en kunnen dus elk de vrijstelling van 1 miljoen euro niet toepassen.
53. De vrijstelling van meerwaarden ingevolge een inbreng van aandelen, zoals bepaald in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92, is - zoals reeds vermeld in randnummer 33 - eveneens van toepassing wanneer de overdrager van de aandelen (al dan niet samen met zijn naaste familie) geen rechtstreekse of onrechtstreeks controle uitoefent op de overnemer in de zin van art. 1:14, WVV. Dit betekent dat deze vrijstelling ook van toepassing kan zijn wanneer een meerwaarde wordt verwezenlijkt naar aanleiding van een inbreng die onder het bijzonder regime valt.
Zoals reeds eerder gemeld blijft de bestaande vrijstelling voorzien in art. 95, WIB 92 behouden (zie randnummer 36).
54. Op het bedrag dat overblijft na toepassing van de vrijstelling vermeld in randnummer 51, wordt een progressief tarief toegepast gaande van 1,25 % tot 10 %:
- voor de schijf gaande van 0 tot 2,5 miljoen euro wordt het tarief bepaald op 1,25 % (33);
- voor de schijf gaande van 2,5 miljoen euro tot 5 miljoen euro wordt het tarief bepaald op 2,5 % (34);
- voor de schijf gaande van 5 miljoen euro tot 10 miljoen euro wordt het tarief bepaald op 5 % (35);
- voor de schijf boven 10 miljoen euro wordt het tarief bepaald op 10 % (36).
De bedragen gehanteerd voor deze tariefschijven zullen net zoals de vrijstelling van 1 miljoen euro niet worden geïndexeerd (37).
Voorbeeld:
Een belastingplichtige verwezenlijkt in het belastbaar tijdperk X een meerwaarde type B van 1 miljoen euro. De meerwaarde zal echter niet worden belast ingevolge toepassing van de vrijstelling zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 1°, WIB 92.
In het daaropvolgende belastbaar tijdperk X+1 verwezenlijkt hij opnieuw een meerwaarde type B, ditmaal voor een bedrag van 3 miljoen euro. Op basis van art. 96/2, tweede lid, WIB 92 kan hij voor deze meerwaarde geen aanspraak meer maken op de vrijstelling. De meerwaarde van 3 miljoen euro zal als volgt worden belast: 2,5 miljoen euro wordt onderworpen aan het tarief van 1,25 % en het resterende bedrag van 500.000 euro wordt onderworpen aan het tarief van 2,5 %.
(33) Art. 171, 9°, WIB 92.
(34) Art. 171, 10°, WIB 92.
(35) Art. 171, 11°, WIB 92.
(36) Art. 171, 2°, f), WIB 92.
(37) Art. 178, § 5, 4°, WIB 92.
55. Wanneer aandelen die onder de aanmerkelijk belang heffing vallen (art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92) rechten vertegenwoordigen in een binnenlandse vennootschap (38) en worden overgedragen aan een in art. 227, 2° of 3°, WIB 92 vermelde rechtspersoon waarvan de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer niet in een Lidstaat van de EER is gevestigd, dan worden de meerwaarden op deze aandelen (bedrag verkregen na de vrijstelling) aan een afzonderlijk tarief van 16,5% onderworpen (39).
(38) Art. 2, § 1, 5°, b), WIB 92.
(39) Art. 171, 4°, l), WIB 92.
56. Binnen dit kader wordt er nogmaals op gewezen dat het bijzonder regime (type B) primeert op het algemeen regime (type C) zoals opgenomen hierna.
57. De in dit onderdeel bedoelde afzonderlijke tarieven zijn van toepassing tenzij globalisatie voordeliger is (40). Daarbij worden geen gemeentelijke opcentiemen toegepast (41).
(40) Art. 171, inleidende zin, WIB 92.
(41) Art. 466, tweede lid, WIB 92.
58. De meerwaarden op aandelen die worden verwezenlijkt in het kader van een aanmerkelijk belang in de zin van art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 zijn niet onderworpen aan een bronheffing (= roerende voorheffing).
De toepassing van de getrapte belasting laat immers niet toe om het systeem van bronheffing op een efficiënte wijze toe te passen. Hierbij moet er wel verwezen worden naar art. 326bis, WIB 92, dat een meldingsplicht oplegt voor tussenpersonen die betrokken zijn bij dergelijke verrichtingen (voor meer informatie zie randnummers 211 e.v.).
59. De meerwaarde is verplicht aan te geven in de aangifte personenbelasting verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde werd verwezenlijkt.
60. Art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92 vervult zowel een residuaire als een algemene functie: het omvat alle meerwaarden op financiële activa die niet onder type A of type B vallen. Wanneer de meerwaarde echter betrekking heeft op financiële activa die de belastingplichtige heeft gebruikt in het kader van de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, blijft die meerwaarde de kwalificatie als beroepsinkomen behouden, en wordt zij dus niet onder dit residuaire regime belast.
61. Art. 92, § 1, WIB 92, bevat de definitie van "financiële activa" voor de toepassing van de meerwaardebelasting. Vanuit een algemeen perspectief moet het begrip ruim geïnterpreteerd worden en omvat zij vier elementen die afzonderlijk opgesomd worden. Het gaat om:
- de financiële instrumenten (42);
- de verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen (43);
- de cryptoactiva (44) en
- de geldmiddelen zijnde valuta en het beleggingsgoud (45).
(42) Art. 92, § 1, a), WIB 92.
(43) Art. 92, § 1, b), WIB 92.
(44) Art. 92, § 1, c), WIB 92.
(45) Art. 92, § 1, d), WIB 92.
Een financieel actief valt onder het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting wanneer het onder één van de vier voornoemde categorieën kan worden ondergebracht. Dit is een noodzakelijke maar voldoende voorwaarde.
De vier categorieën financiële activa vormen een limitatieve opsomming. Een financieel actief dat niet onder minstens één van de vier categorieën kan worden ondergebracht, valt dus buiten het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting.
1.1.1 Financiële instrumenten
62. De invulling van het begrip “financieel instrument” in de zin van de meerwaardebelasting gebeurt onder verwijzing naar de wet van 02.08.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (BS 04.09.2002 – Numac: 2002003392) (hierna W 02.08.2002). Art. 2, 1°, W 02.08.2002 bevat een opsomming van de financiële instrumenten. Deze lijst bevat de volgende instrumenten die ook voor de toepassing van de meerwaardebelasting relevant zijn:
a) de effecten, te weten alle categorieën van op de kapitaalmarkt verhandelbare waardepapieren (betaalinstrumenten uitgezonderd) zoals:
- aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten;
- obligaties en andere schuldinstrumenten, alsmede certificaten betreffende dergelijke effecten;
- alle andere waardepapieren die het recht verlenen die effecten te verwerven of te verkopen of die aanleiding geven tot een afwikkeling in contanten waarvan het bedrag wordt bepaald op grond van effecten, valuta's, rentevoeten of rendementen, grondstoffenprijzen of andere indexen of maatstaven.
b) de geldmarktinstrumenten, te weten alle categorieën instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, zoals schatkistpapier, depositocertificaten en commercial paper (betaalinstrumenten uitgezonderd);
c) rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging;
d) opties, futures, swaps, rentetermijn-contracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, emissierechten, of andere afgeleide instrumenten, financiële indexen of maatstaven en die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten;
e) opties, futures, swaps, termijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen en in contanten moeten of mogen worden afgewikkeld naar keuze van één van de partijen (tenzij de reden het in gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die beëindiging van het contract tot gevolg heeft);
f) opties, futures, swaps en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen en kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële levering, mits zij worden verhandeld op een gereglementeerde markt, een Multilateral Trading Facility (MTF) of een Organised Trading Facility (OTF), met uitzondering van voor de groothandel bestemde energieproducten die zijn verhandeld op een OTF die door middel van materiële levering moeten worden afgewikkeld;
g) andere, niet in f) vermelde opties, futures, swaps, termijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op grondstoffen, die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële levering en niet voor commerciële doeleinden bestemd zijn, en die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten hebben;
h) afgeleide instrumenten voor de overdracht van het kredietrisico;
i) financiële contracten ter verrekening van verschillen ("contracts for differences");
j) opties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten met betrekking tot klimaatvariabelen, vrachttarieven, inflatiepercentages of andere officiële economische statistieken, en die contant moeten, of, op verzoek van één der partijen, kunnen worden afgewikkeld (tenzij de reden het in gebreke blijven is of een andere gebeurtenis die beëindiging van het contract tot gevolg heeft), alsmede andere derivatencontracten met betrekking tot activa, rechten, verbintenissen, indices en maatregelen dan die vermeld in het 1° die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten, waarbij inzonderheid in aanmerking wordt genomen of zij op een gereglementeerde markt, een MTF of een OTF worden verhandeld;
k) emissierechten.
63. Deelbewijzen van een maatschap vallen onder de instrumenten vermeld in punt a) hiervoor. Daardoor valt een overdracht onder bezwarende titel van deelbewijzen van een maatschap – ook wanneer deze maatschap geen financiële activa aanhoudt – binnen het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting (46). Deelbewijzen van gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden begrepen onder punt c) hiervoor (47).
(46) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 26.
(47) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 35.
64. De definitie van financiële instrumenten omvat zowel de instrumenten die aangehouden worden in België als deze die in het buitenland worden aangehouden, en niet onderworpen zijn aan de bevoegde Belgische autoriteiten, zoals de FSMA. De definities opgenomen onder art. 2, 1°, W 02.08.2002 zijn inderdaad voldoende ruim geformuleerd om ook de buitenlandse instrumenten te omvatten.
65. Deze definitie omvat ook Exchange-Traded Funds (ETFs) en Exchange-Traded Notes (ETNs).
66. Op te merken is dat m.b.t. de in a) en b) hiervoor opgenomen onderdelen een expliciete uitsluiting van “betaalinstrumenten” is opgenomen in de W02.08.2002 (48). Dit betekent dat een “betaalinstrument” geen effect of geldmarktinstrument is in de zin van de W 02.08.2002 en bij uitbreiding eveneens in de zin van het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting.
(48) Respectievelijk onder art. 2, 1°, a), juncto art. 2, 31° i.v.m. effecten en onder art. 2, 1°, b), juncto art. 2, 32° i.v.m. geldmarktinstrumenten.
67. De uitsluiting van betaalinstrumenten als effect of geldmarktinstrument staat echter niet in de weg dat bepaalde cryptoactiva (nl. cryptoactiva die voor betalingsdoeleinden gebruikt kunnen worden) of geldmiddelen binnen andere categorieën onder het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen.
68. Ter verduidelijking: het begrip “betaalinstrument” mag niet verward worden met het begrip “geldmiddelen”.
Een betaalinstrument betreft "gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt voor het initiëren van een betalingsopdracht" (49). Een betaalinstrument betreft dus een instrument waarvan gebruik wordt gemaakt voor het initiëren van een betaling (bijv. overmakingen, kaarten of automatische afschrijvingen). Gelet op de invulling van dit begrip spreekt het voor zich dat betaalinstrumenten uitgesloten worden van de definitie van een "effect" of een "geldmarktinstrument".
De definitie van een "betaalinstrument" verschilt van de definitie van "geldmiddelen". Dit laatste begrip wordt binnen de financiële regulering gedefinieerd als "bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld […]" (50).
Gelet op de compleet verschillende invulling van beide begrippen, is het dan ook mogelijk dat "betaalinstrumenten" uitgesloten worden van bepaalde categorieën van financiële instrumenten in de zin van het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting (art. 92, § 1, a), WIB 92) en dat bepaalde geldmiddelen (i.e. giraal geld en elektronisch geld) of cryptoactiva die voor betalingsdoeleinden gebruikt kunnen worden wel onder het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen, maar dan binnen een andere categorie (art. 92, § 1, c) en d), WIB 92).
Beide categorieën zijn bijgevolg fundamenteel verschillend. Een betaalinstrument is het middel waarmee een betaling technisch wordt uitgevoerd, geldmiddelen en cryptoactiva die voor betalingsdoeleinden aangewend kunnen worden zijn daarentegen de waarden die (met het betaalinstrument) worden overgedragen.
(49) Art. 2, 26° van de wet van 11.03.2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen (BS 26.03.2018 – Numac: 2018030643) (hierna W 11.03.2018).
(50) Art. 2, 26°, juncto art. 2, 77°, W 11.03.2018.
1.1.2 Verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen
69. De bedoelde verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen zijn gedefinieerd in art. 5 van de wet van 04.04.2014 betreffende de verzekeringen (BS 30.04.2014 – Numac: 2014011239) (hierna W 04.04.2014). Het gaat meer bepaald om verzekeringen met een beleggingscomponent, de spaarverzekeringen en de beleggingsverzekeringen respectievelijk bedoeld in art. 5, 13°, 5, 16°/1, 5, 16°/2 en 5, 16°/3, W 04.04.2014.
70. De spaarverzekeringsovereenkomsten zijn gedefinieerd als zijnde deze die betrekking hebben op de takken 21, 22 of 26 van de groep van activiteiten "leven" van bijlage II bij de wet van 13.03.2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen (BS 23.03.2016 – Numac: 2016011092) (hierna W 13.03.2016) en die een spaarcomponent omvatten, of deze die een combinatie vormen van meerdere van de genoemde contracten.
71. De beleggingsverzekeringsovereenkomsten zijn gedefinieerd als zijnde deze die betrekking hebben op tak 23 van de groep van activiteiten "leven" in bijlage II, W 13.03.2016, of deze die een combinatie vormen van één of meerdere spaarverzekeringsovereenkomsten en één of meerdere beleggingsverzekeringsovereenkomsten of een combinatie van meerdere verzekeringsovereenkomsten die betrekking hebben op de bovenvermelde tak 23. Hiermee worden dan de tak 44 verzekeringen bedoeld.
72. De definities bedoeld in art. 5, 13°, 16°/1, 16°/2 en 16°/3, W 04.04.2014 verwijzen, in tegenstelling tot de definities in de W 02.08.2002, naar een nationale context. Er wordt namelijk verwezen naar de definities opgenomen in de W 13.03.2016 en naar de specifieke definities van "takken vanlevensverzekeringen" – meer specifiek de takken 21, 22, 23 en 26. De definities zelf die opgenomen zijn onder deze onderverdelingen zouden gevoelig kunnen verschillen tussen verschillende landen. Daarom, teneinde ook de buitenlandse verzekeringscontracten te vatten, vermeldt art. 92, § 1, b), WIB 92 uitdrukkelijk de buitenlandse verzekeringscontracten bedoeld in analoge bepalingen als deze van de bovenvermelde W 04.04.2014. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de kapitalisatiecontracten "tak 6" naar Luxemburgs recht, waarvan de definitie identiek is aan die van de "tak 26" naar Belgisch recht.
73. Om te voorkomen dat enkel in België afgesloten verzekeringen zouden geviseerd worden, werd het toepassingsgebied uitgebreid naar levensverzekeringen bedoeld in art. 2, lid 3, a), i), van Richtlijn 2009/138/EG evenals de kapitalisatieverrichtingen bedoeld in art. 2, lid 3, b), ii), van Richtlijn 2009/138/EG (de zogenaamde “Branche 6” contracten die vooral vanuit Luxemburg worden gecommercialiseerd) en die aangeboden worden door een Belgische of een buitenlandse verzekeringsonderneming.
74. Ten slotte worden ook vergelijkbare levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen die buiten de Europese Unie worden aangegaan, geviseerd.
75. Tak 21 verzekeringscontracten, zonder spaar- of beleggings-doelstelling die uitsluitend voorzien in een uitkering bij overlijden en enkel worden afgesloten om de terugbetaling van het kapitaal van een krediet te dekken (schuldsaldoverzekering) of de uitvaartkosten van de verzekerde (uitvaartverzekeringen), vallen buiten het toepassingsgebied, zelfs in geval van vervroegde afkoop. Dergelijke verzekeringen hebben geen spaar- of beleggingsdoel en hun afkoop zal systematisch leiden tot een minderwaarde.
1.1.3 Cryptoactiva
76. De cryptoactiva vallen eveneens onder de definitie van financiële activa. De in de wettekst opgenomen definitie is terug te vinden in art. 3, § 1, 5) van de Verordening 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31.05.2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (hierna MiCA-verordening of Verordening 2023/1114).
77. Het begrip “cryptoactivum” wordt gedefinieerd als een digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen, met gebruikmaking van distributed-ledger-technologie of vergelijkbare technologie. De invulling van de notie ‘distributed-ledger-technologie of gelijkaardige technologie’ dient te gebeuren op basis van de definitie voorzien in art. 3, § 1, 1) t.e.m. 3), Verordening 2023/1114: “een technologie die de werking en het gebruik van distributed ledgers mogelijk maakt, namelijk informatieopslagplaatsen waar afschriften van transacties worden geregistreerd en die wordt gedeeld over en gesynchroniseerd tussen een reeks distributed-ledger-technologienetwerkknooppunten door middel van een consensusmechanisme”. Onder consensusmechanisme wordt verstaan “de regels en procedures waarmee tussen distributed-ledger-technologienetwerkknooppunten wordt overeengekomen dat een transactie wordt gevalideerd, waarbij deze distributed-ledger-technologienetwerkknooppunten worden gedefinieerd als een apparaat of proces dat deel uitmaakt van een netwerk en een volledige of gedeeltelijke kopie bevat van de gegevens van alle transacties in een distributed ledger”.
Het begrip cryptoactiva in de zin van Verordening 2023/1114 bevat vier categorieën cryptoactiva, nl:
a) Elektronischgeldtokens (e-money tokens).
Het betreft een “type cryptoactivum dat een stabiele waarde tracht te behouden door te verwijzen naar de waarde van een officiële valuta” (bijv. de Euro of Dollar, cf. art. 3, § 1, 7), Verordening 2023/1114).
b) Activagerelateerde tokens.
Het betreft een “type cryptoactivum dat geen elektronischgeldtoken is en dat een stabiele waarde tracht te behouden door te verwijzen naar een andere waarde of een ander recht of een combinatie daarvan, met inbegrip van een of meer officiële valuta” (art. 3, § 1,6), Verordening 2023/1114).
c) Gebruikstokens (utility tokens).
Het betreft een "type cryptoactivum dat alleen bedoeld is om toegang te verlenen tot een goed dat of een dienst die door de uitgever ervan wordt aangeboden" (art. 3, § 1, 9), Verordening 2023/1114).
d) Restcategorie.
Deze categorie omvat alle cryptoactiva die niet als elektronischgeldtokens of activagerelateerde tokens beschouwd worden (Verordening 2023/1114, titel II).
78. Tokens die kwalificeren als financiële instrumenten in de zin van de MiFID-reglementering (51), vallen buiten het toepassingsgebied van de Verordening 2023/1114 krachtens art. 2, § 4, a) van deze verordening, en dus buiten de definitie van het begrip “cryptoactiva”. Dit betekent evenwel niet dat zij buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar de zogenaamde "effectentokens" ("security tokens”), die niet onder het toepassingsgebied van de Verordening 2023/1114 vallen. Zij worden evenwel als effecten beschouwd in de zin van de W02.08.2002 indien zij aan hun houders rechten verlenen die gelijkwaardig zijn aan die van aandelen, obligaties, andere vormen van effecten zonder aandelenkarakter of andere effecten (cf. art. 2, 1°, a, en 31°, c, W 02.08.2002). Vanuit die optiek vallen zij eveneens onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Bij de vaststelling of een cryptoactivum een financieel instrument is, moet de inhoud voorrang krijgen op de vorm.
Een cryptoactivum zal daarom als een effect beschouwd worden indien het op cumulatieve wijze aan de volgende drie criteria voldoet:
- het is geen betaalmiddel,
- het betreft “categorieën waardepapieren”, en
- het is op de kapitaalmarkt verhandelbaar (art. 2, 31°, inleidende zin, W 02.08.2002).
(51) MiFID of Markets in Financial Instruments Directive is een geheel van Europese rechtsregels die bijdragen tot de harmonisatie van de regelgeving voor transacties in financiële producten en de integratie van de financiële markten. De Richtlijn is sinds 01.11.2007 van kracht binnen alle landen van de Europese Unie en in IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Vanaf 03.01.2018 is een verstrengde versie van de MiFID-reglementering van toepassing, MiFID II.
79. Het begrip “cryptoactiva” omvat ook niet-verwisselbare tokens (hierna NFT’s – non-fungible tokens) (die bijvoorbeeld rechten vertegenwoordigen op verzamelobjecten, spellen, kunstwerken, fysieke eigendommen of financiële documenten) in de mate waarin zij voor betalings- of beleggingsdoeleinden gebruikt kunnen worden. Dergelijke interpretatie van het begrip ”cryptoactiva” sluit aan bij het op het Europese niveau uitgewerkte fiscaal rapporteringsraamwerk, zoals aangenomen door Richtlijn 2023/2226 van de Raad van 17.10.2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (‘DAC8’) en is ingegeven om enkel dergelijke cryptoactiva die vanuit hun betalings- en beleggingsfunctie als ”financieel actief” fungeren te omvatten.
80. Omdat de MiCA-verordening niet van toepassing is op NFT’s, werd in art. 92, § 1, c), WIB 92 een expliciete verwijzing opgenomen naar NFT’s teneinde te garanderen dat zij onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen. Een NFT zal evenwel niet altijd als een financieel actief worden beschouwd onder de nieuwe regeling voor de belasting van meerwaarden op financiële activa. Hiervoor is vereist dat de NFT gebruikt kan worden voor betalings- of beleggingsdoeleinden. Hiermee wordt aangesloten bij de afbakening die Richtlijn (EU) 2023/2226 vooropstelt met betrekking tot de uitwisseling van informatie omtrent cryptoactiva die voor fiscale doeleinden als relevant beschouwd worden. Het criterium "gebruik voor betalings- of beleggingsdoeleinden" staat hierbij centraal. Dit is voorts het standpunt van de OESO bij de uitwerking van het Crypto-Asset Reporting Framework (CARF) voor fiscale doeleinden.
NFT’s kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, wel of niet als financiële activa worden beschouwd. Dat hangt af van het criterium dat binnen de meerwaardebelasting relevant is: het gebruik van de activa voor betalings- of beleggingsdoeleinden. Digitale kunstvoorwerpen die niet aan dit criterium voldoen, zijn uitgesloten van de meerwaardebelasting. NFT’s die wel aan dit criterium voldoen, worden gecapteerd door de meerwaardebelasting.
Bij de beoordeling van de mogelijkheid van een NFT om voor betalings- of beleggingsdoeleinden gebruikt te worden, primeren de aard van de NFT en haar functie in de praktijk op de terminologie of marketingtermen. Een NFT die op een marktplaats verhandeld kan worden, kan gebruikt worden voor betalings- of beleggingsdoeleinden.
1.1.4 Geldmiddelen
81. Geldmiddelen vormen eveneens financiële activa voor de toepassing van de nieuwe regeling voor de belasting van meerwaarden op financiële activa. Deze categorie financiële activa kan onderverdeeld worden in drie specifieke aspecten:
a) Een eerste aspect refereert aan de geldmiddelen sensu stricto. Dit aspect wordt gedefinieerd aan de hand van de begripsomschrijving opgenomen in art. 4, 25°, van de Richtlijn 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25.11.2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG en omvat in het kader van de meerwaardebelasting giraal geld en elektronisch geld zoals gedefinieerd in art. 2, punt 2, van de Richtlijn 2009/110/EG.
b) Een tweede aspect omvat het beleggingsgoud zoals bedoeld in art. 344, lid 1, punt 2, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006, nl.goudstaven en gouden munten die beantwoorden aan de criteria van de richtlijn, en de Lijst van gouden munten die voldoen aan deze criteria zoals gepubliceerd door de Europese Commissie (52). De opname van het beleggingsgoud in de definitie van financiële activa voor de toepassing van de nieuwe regeling voor de belasting van meerwaarden op financiële activa volgt uit de specifieke regeling waaraan het beleggingsgoud onderworpen is en de vaststelling dat beleggingsgoud onderdeel uitmaakt van de externe reserves van Centrale Banken die uiteraard ook een monopolie hebben op de uitgifte van geldmiddelen. De specifieke regeling waaraan beleggingsgoud onderworpen is, volgt uit de intentie van de wetgever om dit type activa te onderwerpen aan een gelijke behandeling ten opzichte van valuta en financiële instrumenten, gelet op de gelijkaardige kenmerken van het beleggingsgoud.
c) Een derde aspect betreft de digitale centralebankmunten. Onder dit begrip wordt verstaan elke digitale fiduciaire valuta die door een Centrale bank of een andere monetaire autoriteit wordt uitgegeven. Het betreft een type valuta dat alleen in een digitale vorm bestaat. Digitale centralebankmunten vallen onder het begrip financiële activa ongeacht of de achterliggende technologie hiervan gebaseerd is op distributed-ledger technologie.
Deze categorie financiële activa is bijgevolg enkel van toepassing op valuta en beleggingsgoud. Het logische gevolg daarvan is dat bijvoorbeeld zilverwerk, juwelen (gemaakt uit goud of uit een ander edelmetaal), schilderijen, wijnflessen, Pokémonkaarten, sneakers en duiven niet onder het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen.
(52) Het gaat om een zeer specifieke definitie, die uitsluitend betrekking heeft op:
- goudstaven met een zuiverheid van minstens 995/1000, of
- gouden munten met een zuiverheid van minstens 900/1000, geslagen na het jaar 1800 (Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 165).
82. M.b.t. punt a) hierboven wordt opgemerkt dat geldmiddelen die worden aangehouden op een betaalrekening in de zin van art. 2, 18°, W 11.03.2018, niet worden beschouwd als financiële activa in de zin van de huidige bepaling. Een betaalrekening betreft "een op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt". Hierbij moet als betalingstransactie beschouwd worden, iedere "door of voor rekening van de betaler of door de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn" (53). Geldmiddelen die op betaalrekeningen aangehouden worden, worden uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting teneinde te vermijden dat verwezenlijkte meerwaarden verbonden aan wisselkoersverschillen onderhevig zijn aan de belasting. Het gaat bijvoorbeeld om de situatie waarin een belastingplichtige een rekening in een vreemde valuta opent en bij de aankoop van goederen een meerwaarde verwezenlijkt verbonden aan het wisselkoersverschil ten opzichte van het initieel ingewisselde bedrag. Zowel de aard van de meerwaarde als de complexiteit die gepaard gaat met het berekenen ervan, rechtvaardigen de uitsluiting uit het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting.
(53) Art. 2, 22°, W 11.03.2018.
83. In beginsel wordt de meerwaarde slechts verwezenlijkt bij een overdracht onder bezwarende titel (zie randnummers 9 en 10). De overdrager moet een prijs ontvangen in ruil voor de financiële activa die hij overdraagt. Een overdracht is ten bezwarende titel wanneer de overdracht voor elke partij een voordeel oplevert. De schenkingen (54) of eigendomsoverdrachten bij overlijden, hetzij door wettelijke erfopvolging of contractuele erfstelling, hetzij bij testament, vormen dus geen aanleiding voor de verwezenlijking van een meerwaarde als bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92.
(54) Bij een schenking met last moet steeds worden nagegaan of de overeenkomst nog het karakter van een schenking heeft, dan wel moet worden gekwalificeerd als een overdracht onder bezwarende titel. Een schenking met last is een schenking waarbij de begiftigde zich ertoe verbindt een bepaalde tegenprestatie te leveren. Deze tegenprestatie wordt door de schenkers opgelegd aan de begiftigde en kan zowel in hun eigen voordeel zijn bedongen als in het voordeel van een derde (Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 37).
84. Een aantal verrichtingen geven echter wel aanleiding tot het ontstaan van een meerwaarde die moet worden onderworpen aan de nieuwe regeling, hoewel ze niet onder bezwarende titel werden verwezenlijkt. Art. 92, § 2, WIB 92 stelt daartoe de volgende gebeurtenissen (limitatieve lijst) gelijk aan overdrachten onder bezwarende titel:
a) De vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen.
Bij een wijziging tussen beleggingsfondsen in tak 23 verzekeringen of een wijziging bij een tak 44 verzekering is er op dat moment geen uitkering en zal er geen sprake zijn van een verwezenlijkte meerwaarde. Dit is eveneens het geval bij een uitbetaling aan de begunstigden bij overlijden;
b) Het overbrengen door een belastingplichtige van zijn woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland – verlies van de hoedanigheid vanrijksinwoner.
Hiermee wordt de situatie beoogd waarin een belastingplichtige na het overbrengen de hoedanigheid van rijksinwoner verliest doordat hij zijn woonplaats en zijn zetel van fortuin niet meer in België heeft.
Wanneer een belastingplichtige die eigenaar of blote eigenaar is van een financieel actief zijn hoedanigheid van rijksinwoner verliest, zal er in hoofde van die belastingplichtige binnen de personenbelasting een belasting geheven worden over de latente meerwaarde van dat financieel actief (exit taks). Om te voldoen aan de Europese rechtsbeginselen ter zake, voorziet art. 413/1, § 6, WIB 92 in een regime van een automatisch uitstel van betaling van deze exittaks voor specifieke landen. Wanneer de vruchtgebruiker van een financieel actief zijn hoedanigheid van rijksinwoner verliest, leidt dit niet tot een “verwezenlijking” van de meerwaarde in hoofde van de blote eigenaar.
85. Hierbij wordt bevestigd dat elke vervreemding van cryptoactiva – dus zowel de omzetting in andere cryptoactiva als de omzetting in fiduciaire valuta – wordt beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel. Het gaat dus niet enkel om omzettingen naar fiduciaire valuta (55). Dit sluit bovendien aan bij de invulling van het begrip "wisseltransactie" in de zin van de Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad van 17.10.2023 tot wijziging van de Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen dat zowel het wisselen tussen cryptoactiva en fiduciaire valuta als het wisselen tussen een of meer vormen van cryptovaluta omvat.
(55) Parlementaire vraag nr. 1338, gesteld op 02.02.2023 door volksvertegenwoordiger Prévot, QRVA 55/105 van 09.03.2023, blz. 180.
86. Daarnaast vormt ook het aanwenden van cryptoactiva voor de aankoop van goederen of diensten een verwezenlijking van de desbetreffende financiële activa.
87. Wanneer cryptoactiva tussen verschillende cryptoactivaportefeuilles van dezelfde belastingplichtige worden overgedragen, zal er geen sprake zijn van een verwezenlijking. In diezelfde optiek kan men eveneens stellen dat wanneer geldmiddelen sensu stricto tussen verschillende rekeningen van dezelfde belastingplichtige worden overgedragen, er eveneens geen sprake zal zijn van een verwezenlijking.
88. Op te merken is dat een derivaat (zie randnummer 62) steeds aangegaan wordt onder bezwarende titel, in die zin dat beide partijen bij een derivaat zich verbinden tot een bepaalde economische prestatie (met die nuance dat het in geval van een derivaat om een wederkerig contract gaat waarbij de prestaties afhankelijk zijn van toekomstige gebeurtenissen). Hierdoor kwalificeert de uit het derivaat voortvloeiende overdracht van cash (cash settled derivatives) of van andere financiële activa (physically settled derivates) als een overdracht onder bezwarende titel en is zij belastbaar wanneer in het kader van de afwikkeling financiële activa overgedragen worden.
89. Wanneer een obligatie onder pari werd aangekocht, verwezenlijkt de koper op de vervaldag van de obligatie een meerwaarde voor een bedrag gelijk aan het verschil tussen de nominale waarde en de aankoopprijs (56). Ook in dat geval is er sprake van een overdracht onder bezwarende titel. Het is immers duidelijk dat de aankoop van een obligatie een verrichting onder bezwarende titel uitmaakt. De terugbetaling op de vervaldag, en de daarmee gepaard gaande overdracht van cash, kwalificeert eveneens als een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa die aanleiding geeft tot de verwezenlijking van een meerwaarde (57).
(56) Wanneer een gedeelte uitbetaald wordt boven de nominale waarde dan wordt dit deel belast als interest in toepassing van art. 19, § 2, WIB 92.
(57) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 173 en DOC 56 1244/007, blz. 25.
90. Dit kan eveneens gelden wanneer financiële activa worden ingebracht in een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid. Op basis van de art. 4:1 en 4:13 - 4:16, juncto art. 1:1, WVV wordt een dergelijke inbreng beschouwd als een inbreng in “een vennootschap” met een afgescheiden vermogen. Hoewel de inbreng in een dergelijke maatschap een eigen zakenrechtelijke analyse vergt, nl. de maatschap op zich kan geen drager zijn van subjectieve rechten, kan deze inbreng in ruil voor een tegenwaarde (i.e. de deelbewijzen) kwalificeren als een moment van verwezenlijking. Wanneer het een inbreng van aandelen in de maatschap betreft, is evenwel de vrijstelling van toepassing op grond van art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Dit betekent dat bij de inbreng van aandelen in vennootschappen met of zonder rechtspersoonlijkheid steeds een beroep kan gedaan worden op deze vrijstelling (58).
De meerwaardebelasting bij maatschappen is enkel van toepassing wanneer er sprake is van een moment waarop een verwezenlijking plaatsvindt. Het louter aangaan of beëindigen van een maatschapscontract brengt op zich geen meerwaardebelasting teweeg. Het inbrengen van financiële activa in een onverdeeldheid leidt niet tot een moment van verwezenlijking, zolang dit geen impliciete ruil van het ene actief voor het andere inhoudt. Wanneer er wel sprake is van een impliciete ruil van financiële activa, ontstaat er een gedeeltelijke overdracht, wat aanleiding geeft tot belastingheffing.
Voorbeeld 1
Belastingplichtige A brengt 50 financiële activa X in in een maatschap en belastingplichtige B brengt eveneens 50 identieke financiële activa X in. A en B hebben elk 50% van de deelbewijzen van de maatschap ontvangen als vergoeding voor hun inbreng. A en B hadden voor de inbreng elk de exclusieve eigendom van 50 financiële activa X in eigendom. Na de inbreng houden ze elk de onverdeelde helft van 100 financiële activa aan. Het respectievelijk vermogen van A en B is na de inbreng fundamenteel niet gewijzigd. Dit heeft als gevolg dat er geen verwezenlijking is ingevolge de inbreng.
Voorbeeld 2
Belastingplichtige A brengt 50 financiële activa X in en belastingplichtige B brengt 50 financiële activa Y in. De inbrengen van beide belastingplichtigen hebben dezelfde waarde waardoor A en B elk 50% van de deelbewijzen van de maatschap ontvangen als vergoeding voor hun inbreng. In deze situatie is er weldegelijk sprake van een impliciete ruil en bijgevolg van een verwezenlijking. Vóór de inbreng bezit A de exclusieve eigendom van 50 financiële activa X en B die van 50 financiële activa Y. Na de inbreng in het onverdeelde vermogen dat de maatschap vormt, houden A en B elk een onverdeelde helft aan in 50 financiële activa X en 50 financiële activa Y. Hun respectieve vermogens zijn daardoor gewijzigd: bij de inbreng heeft A de helft van zijn financiële activa X geruild tegen de helft van de financiële activa Y van B, en omgekeerd geldt hetzelfde voor B. A heeft dus de helft van zijn financiële activa X verwezenlijkt (tegen een prijs gelijk aan de helft van de waarde van de door B ingebrachte financiële activa Y), en B de helft van zijn financiële activa Y verwezenlijkt (tegen een prijs gelijk aan de helft van de waarde van de door A ingebrachte financiële activa X).
Er zal steeds sprake zijn van een impliciete ruil en dus van een verwezenlijking wanneer een nieuwe maat tijdens de looptijd van de maatschap toetreedt. Op dat moment worden activa onderling herschikt, waardoor een gedeeltelijke overdracht wordt verwezenlijkt (59).
Er is geen moment van verwezenlijking wanneer twee personen samen een pakket aandelen in onverdeeldheid aanhouden, elk voor de helft, en deze aandelen inbrengen in een maatschap zonder dat de onderlinge verhouding van hun rechten wijzigt. Wanneer die aandelen later uit het vermogen van de maatschap worden gehaald en opnieuw elk voor de helft in onverdeeldheid worden aangehouden, ontstaat er evenmin een moment van verwezenlijking.
In het geval waarin X en Y elk voor 50 % in onverdeeldheid eigenaar zijn van een effectenportefeuille, deze portefeuille inbrengen in een maatschap waarvan zij elk 50 % van de deelbewijzen aanhouden, én diezelfde portefeuille later bij de liquidatie van de maatschap opnieuw elk voor 50 % in onverdeelde eigendom van X en Y terechtkomt, ontstaat er geen moment van verwezenlijking (60). In die situatie is het regime van de meerwaardebelasting dus niet van toepassing, en is er bijgevolg geen meerwaardebelasting verschuldigd.
(58) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 167.
(59) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 25 en 26.
(60) In het kader van VVPRbis zal in deze situatie aan de voorwaarde van het ononderbroken behoud van eigendom, opgenomen in art. 269, § 2, 6°, WIB 92 voldaan zijn (Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 168).
91. Voor de meerwaarden binnen het algemeen regime geldt een basisvrijstelling die eventueel kan worden verhoogd met een aanvullende vrijstelling.
2.1.1 Basisvrijstelling
92. Elke belastingplichtige beschikt jaarlijks over een basisvrijstelling. Het basisbedrag van die vrijstelling bedraagt 4.855 euro en wordt jaarlijks geïndexeerd. Het geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027 bedraagt 10.000 euro (61).
(61) Art. 96/2, eerste lid, 2°, WIB 92.
2.1.2 Aanvullende vrijstelling
93. Naast de basisvrijstelling kan een belastingplichtige elk jaar een aanvullende vrijstelling opbouwen. De jaarlijkse opbouw van deze aanvullende vrijstelling is afhankelijk van de situatie in het voorgaande jaar. Omdat de meerwaardebelasting uitwerking heeft vanaf 01.01.2026 kan de aanvullende vrijstelling pas voor het eerst bepaald en effectief aangewend worden in aanslagjaar 2028 en dit rekening houdend met de situatie in aanslagjaar 2027.
94. Het basisbedrag van deze aanvullende vrijstelling bedraagt 480 euro, maar zal bij koninklijk besluit worden gewijzigd, zodat het effectieve vrijstellingsbedrag voor aanslagjaar 2028, na toepassing van de definitieve indexeringscoëfficiënt voor dat jaar, exact uitkomt op 1.000 euro (62).
(62) Art. 96/2, eerste lid, 3°, WIB 92 en art. 33, W 06.04.2026.
95. In tegenstelling tot het bedrag van de vrijstelling van 1.000.000 euro dat binnen het bijzonder regime geldt (zie randnummer 51), worden het bedrag van de basisvrijstelling en dat van de aanvullende vrijstelling wel jaarlijks geïndexeerd.
2.1.3 Berekening van de aanvullende vrijstelling
96. Stappenplan ter berekening van de aanvullende vrijstelling:
a) Geen meerwaarde verwezenlijkt in het voorgaande aanslagjaar?
Wanneer in het aanslagjaar dat vooraf gaat aan aanslagjaar X geen meerwaarde werd verwezenlijkt, heeft de belastingplichtige in aanslagjaar X recht op:
In deze situatie wordt de aanvullende vrijstelling dus volledig opgebouwd.
b) Wel een meerwaarde verwezenlijkt in het voorgaande aanslagjaar?
Wanneer in het aanslagjaar dat vooraf gaat aan aanslagjaar X wel een meerwaarde werd verwezenlijkt waarvoor de basisvrijstelling werd aangewend, wordt de aanvullende vrijstelling van het aanslagjaar X verminderd.
De belastingplichtige heeft dan recht op:
- het geïndexeerde bedrag van de aanvullende vrijstelling van het aanslagjaar X, en
- het bedrag van de basisvrijstelling dat in het aanslagjaar voorafgaand aan aanslagjaar X werd aangewend.
Wanneer het aangewende bedrag van de basisvrijstelling in het aanslagjaar voorafgaand aan aanslagjaar X hoger is dan het geïndexeerde bedrag van de aanvullende vrijstelling van het aanslagjaar X, dan wordt er voor het aanslagjaar X geen aanvullende vrijstelling opgebouwd.
2.1.4 Maximale aanwending van de aanvullende vrijstellingen
97. De aanwending van de tijdens voorgaande aanslagjaren opgebouwde aanvullende vrijstellingen kan tijdens een bepaald aanslagjaar nooit meer bedragen dan 2.426 euro (basisbedrag) (63). Ook dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.
(63) Art. 96/2, derde lid, WIB 92.
2.1.5 Volgorde van aanrekening
98. Wanneer een belastingplichtige over zowel een basisvrijstelling als één of meerdere aanvullende vrijstellingen beschikt, geldt de volgende verplichte volgorde van aanrekening:
2.1.6 Belastbaar tijdperk geen volledig kalenderjaar
99. Wanneer het belastbaar tijdperk, om een andere reden dan overlijden, niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, dan zullen de hiervoor vermelde bedragen (basisvrijstelling en aanvullende vrijstelling), verminderd worden en dit in verhouding tot de duur van het belastbaar tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden. Om de duur van het belastbaar tijdperk uitgedrukt in maanden te bepalen, wordt elke kalendermaand waarvan de vijftiende dag tot het belastbaar tijdperk behoort, als een volledige maand in aanmerking genomen (64).
(64) Art. 129/1, eerste lid en tweede lid, WIB 92.
2.1.7 Voorbeelden
100. De hierboven uiteengezette principes worden hieronder geïllustreerd aan de hand van enkele voorbeelden.
Omdat de indexeringscoëfficiënten voor inkomstenjaar 2027/aanslagjaar 2028 (normaal aanslagjaar) en de daaropvolgende aanslagjaren nog niet bekend zijn, wordt in de onderstaande voorbeelden gewerkt met hypothetische geïndexeerde bedragen voor zowel de basisvrijstelling als de aanvullende vrijstelling. Het geïndexeerde bedrag van de maximale aanwending wordt hypothetisch geraamd op het vijfvoud van het geïndexeerde bedrag van de aanvullende vrijstelling voor het betreffende inkomstenjaar.
Voorbeeld 1
Een belastingplichtige bezit gedurende het inkomstenjaar 2026 financiële activa. Volgens de algemene regel kan hij in 2026 gebruikmaken van de basisvrijstelling van 10.000 euro.
Omdat hij in 2026 geen moment van verwezenlijking heeft, kan hij in het daaropvolgende inkomstenjaar genieten van een aanvullende vrijstelling van 1.000 euro.
Voor inkomstenjaar 2027 – aanslagjaar 2028 beschikt hij dus in totaal over een vrijstellingsbedrag van 11.200 euro (10.200 euro basisvrijstelling en 1.000 euro aanvullende vrijstelling).
Wanneer de belastingplichtige in 2027 een meerwaarde van 1.000 euro verwezenlijkt, wordt dit bedrag in de eerste plaats afgezet tegen de aanvullende vrijstelling.
Omdat de basisvrijstelling niet aangewend wordt, heeft de belastingplichtige in het volgende jaar opnieuw recht op de aanvullende vrijstelling, nl. 1.020 euro.
In 2028 heeft hij dus recht op een vrijstelling van 11.420 euro (10.400 euro basisvrijstelling en 1.020 euro aanvullende vrijstelling).
Voorbeeld 2
Een belastingplichtige bezit gedurende het inkomstenjaar 2026 financiële activa. Volgens de algemene regel kan hij in 2026 gebruikmaken van de basisvrijstelling van 10.000 euro.
Omdat hij in 2026 geen moment van verwezenlijking heeft, kan hij in het daaropvolgende inkomstenjaar genieten van een aanvullende vrijstelling van 1.000 euro.
Voor inkomstenjaar 2027 – aanslagjaar 2028 beschikt hij dus over een totaal vrijstellingsbedrag van 11.200 euro (10.200 euro basisvrijstelling en 1.000 euro aanvullende vrijstelling).
Wanneer de belastingplichtige in 2027 een meerwaarde van 1.500 euro verwezenlijkt, wordt deze als volgt verrekend:
- Volledig aangewend: 1.000 euro
- Resterende meerwaarde: 1.500 – 1.000 = 500 euro
- 500 euro van de basisvrijstelling wordt gebruikt
De aanvullende vrijstelling over inkomstenjaar 2028 - aanslagjaar 2029 bedraagt normaal 1.020 euro. Omdat in het vorige aanslagjaar 500 euro van de basisvrijstelling werd aangewend, moet de aanvullende vrijstelling voor aanslagjaar 2029 worden verminderd:
De belastingplichtige beschikt tijdens het inkomstenjaar 2028 – aanslagjaar 2029 over:
Voorbeeld 3
Een belastingplichtige bezit gedurende het inkomstenjaar 2026 financiële activa. Volgens de algemene regel kan hij in 2026 gebruikmaken van de basisvrijstelling van 10.000 euro.
Omdat hij in 2026 geen moment van verwezenlijking heeft, kan hij in het daaropvolgende inkomstenjaar genieten van een aanvullende vrijstelling van 1.000 euro.
Voor inkomstenjaar 2027 – aanslagjaar 2028 beschikt hij dus over een totaal vrijstellingsbedrag van 11.200 euro (10.200 euro basisvrijstelling en 1.000 euro aanvullende vrijstelling).
In 2027 verwezenlijkt de belastingplichtige een meerwaarde van 2.500 euro. De verrekening gebeurt als volgt:
- Volledig aangewend: 1.000 euro
- Resterende meerwaarde: 2.500 – 1.000 = 1.500 euro
- 1.500 euro van de basisvrijstelling wordt gebruikt
De aanvullende vrijstelling voor het inkomstenjaar 2028 – aanslagjaar 2029 bedraagt normaal 1.020 euro. Omdat het aangewende bedrag van de basisvrijstelling tijdens het inkomstenjaar 2027 hoger is dan het geïndexeerde bedrag van de aanvullende vrijstelling van 2028 (1.500 euro > 1.020 euro) wordt er voor 2028 geen aanvullende vrijstelling opgebouwd.
In 2028 beschikt hij dus enkel over de basisvrijstelling van 10.400 euro.
Voorbeeld 4
Een belastingplichtige bezit gedurende het inkomstenjaar 2026 financiële activa. Volgens de algemene regel kan hij in 2026 gebruikmaken van de basisvrijstelling van 10.000 euro.
Omdat hij van 2026 tot en met 2031 geen moment van verwezenlijking heeft, heeft hij in het daaropvolgende inkomstenjaar 2032 een totaalbedrag van aanvullende vrijstellingen opgebouwd van 6.300 euro (1.000 + 1.020 + 1.040 + 1.060 + 1.080 + 1.100).
In 2032 verwezenlijkt de belastingplichtige een meerwaarde van 6.000 euro. De verrekening gebeurt als volgt:
Opmerking: de aanwending van de opgebouwde aanvullende vrijstelling over de voorgaande jaren kan in 2032 nooit meer bedragen dan 5.500 euro, nl. 5 x 1.100 euro (zie hypothese).
- Aangewend: 5.500 euro
- Resterende meerwaarde: 6.000 – 5.500 = 500 euro
- Overschot aanvullende vrijstelling: 6.300 – 5.500 = 800 euro
- 500 euro van de basisvrijstelling wordt gebruikt
De aanvullende vrijstelling in 2033 bedraagt normaal 1.120 euro. Omdat in het vorige jaar 500 euro van de basisvrijstelling werd aangewend, moet de aanvullende vrijstelling voor 2033 worden verminderd:
De belastingplichtige beschikt in 2033 over:
Voorbeeld 5
Een niet-rijksinwoner migreert naar België op 12.12.2026. Hij verwezenlijkt in de periode als inwoner (aanslagjaar 2027) geen meerwaarde op de financiële activa in zijn bezit.
De belastingplichtige beschikt in het aanslagjaar 2027 over een basisvrijstelling van 833 euro (zijnde 10.000 euro x 1/12). Deze basisvrijstelling werd niet aangewend wegens geen verwezenlijking.
Voor inkomstenjaar 2027 – aanslagjaar 2028 beschikt hij over een totaal vrijstellingsbedrag van 11.200 euro (10.200 euro basisvrijstelling en 1.000 euro aanvullende vrijstelling).
Voorbeeld 6
Een niet-rijksinwoner migreert naar België op 06.10.2026. Hij verwezenlijkt in de periode als inwoner (aanslagjaar 2027) een meerwaarde van 600 euro op een financieel actief.
De belastingplichtige beschikt in het aanslagjaar 2027 over een basisvrijstelling van 2.500 euro (zijnde 10.000 euro x 3/12).
Voor inkomstenjaar 2027 – aanslagjaar 2028 beschikt hij over een basisvrijstelling van 10.200 euro. De aanvullende vrijstelling in 2027 bedraagt normaal 1.000 euro. Omdat in het vorige jaar 600 euro van de basisvrijstelling werd aangewend, moet de aanvullende vrijstelling voor 2027 worden verminderdmet 600 euro. De aanvullende vrijstelling voor 2027 komt daardoor uit op 400 euro.
Voorbeeld 7
Een rijksinwoner vertrekt uit België op 17.06.2030. Hij heeft sinds 01.01.2026 geen enkele meerwaarde op financieel actief verwezenlijkt. Het bedrag van de (latente) meerwaarde rekening houdend met de waarde d.d. 31.12.2025 en de waarde op 17.06.2030 bedraagt 15.000 euro (belastbare basis ter berekening van de exit taks).
Inkomstenjaar 2026 - aanslagjaar 2027: nog geen aanvullende schijf
Inkomstenjaar 2027 - aanslagjaar 2028: aanvullende schijf 1.000 euro
Inkomstenjaar 2028 - aanslagjaar 2029: aanvullende schijf 1.020 euro
Inkomstenjaar 2029 - aanslagjaar 2030: aanvullende schijf 1.040 euro
Inkomstenjaar 2030 – aanslagjaar 2030 speciaal:
Basis vrijstelling bedraagt 10.600 euro x 6/12 = 5.300 euro
Omdat hij van 2026 tot en met 2030 geen moment van verwezenlijking heeft, heeft hij ter aanzuivering van de latente meerwaarde een totaalbedrag van aanvullende vrijstellingen opgebouwd van 3.580 euro (zijnde 1.000 + 1.020 + 1.040 + (1.040 x 6/12)).
101. De belastingplichtige kan zelf vrij bepalen wanneer hij zijn meerwaarden en/of minderwaarden verwezenlijkt. Het feit dat hij daarbij optimaal gebruik maakt van de beschikbare vrijstellingen, kan niet als misbruik worden beschouwd (65).
(65) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 48 en 49.
102. De meerwaarden op financiële activa die op een rekening van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid (zoals feitelijke verenigingen en vakbonden en bepaalde beleggingsclubs) worden verkregen, zijn belastbaar in hoofde van de "rijksinwoner” die gemachtigd is om deze rekening te beheren" (de volmachthouder). De volmachthouder wordt belast alsof hij of zij deze inkomsten persoonlijk zou hebben verkregen. Wanneer meerdere personen gemachtigd zijn om de rekening te beheren, is elke volmachthouder belastbaar in verhouding tot het aantal personen dat de rekening mag beheren (66).
Indien de volmachthouder van een rekening van de vereniging ook eigen (persoonlijke) meerwaarden verwezenlijkt, geldt de vrijstelling van 10.000 euro voor de som van de meerwaarden als volmachthouder én de persoonlijke meerwaarden. Er is dus slechts één vrijstelling per belastingplichtige. Voor de verdeling van de meerwaarden verwezenlijkt voor de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid en de persoonlijke meerwaarden kunnen er afspraken tussen de leden worden gemaakt en dit in alle vrijheid. Daar zijn geen enkele wettelijke bepalingen voor voorzien.
Indien een volmachthouder meerwaarden verwezenlijkt namens de feitelijke vereniging, maar individuele leden op hun persoonlijke portefeuille verliezen lijden, kunnen deze persoonlijke verliezen niet worden verrekend met de belasting die de volmachthouder betaalt (67).
(66) Art. 5/2, WIB 92.
(67) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 42.
2.2.1 Art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92 – inbreng van aandelen
103. De vrijstelling van meerwaarden ingevolge een inbreng van aandelen, zoals bepaald in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92, is – zoals reeds vermeld in randnummers 33 en 53 – eveneens van toepassing wanneer de meerwaarde niet onder de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, a) of b), WIB 92 valt (interne meerwaarden, meerwaarden aanmerkelijk belang). Deze vrijstelling kan dus ook van toepassing zijn wanneer de meerwaarde wordt verwezenlijkt ingevolge een inbreng die onder het algemeen regime valt (art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92).
104. Omdat art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92 enkel verwijst naar “de inbreng van aandelen” zonder te bepalen binnen welke entiteit deze inbreng moet gebeuren om de vrijstelling te verkrijgen, volgt hieruit dat ook een inbreng van aandelen in een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid onder deze vrijstelling kan vallen (zie randnummer 90). De vrijstelling is dus niet beperkt tot een inbreng van aandelen in een vennootschap zoals bedoeld in art. 2, § 1, 5°, a), WIB 92.
2.2.2 Art. 96/2, eerste lid, 5°, WIB 92 – tweede en derde pensioenpijler
105. Art. 96/2, eerste lid, 5°, WIB 92, bepaalt dat de financiële activa bedoeld in art. 1451, 1°, 1°bis, 2°, 4° en 5°, WIB 92 niet onderworpen zijn aan de in art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92 bedoelde meerwaarden. Het gaat concreet om de belastingverminderingen voor het lange-termijnsparen (hierna LT-sparen), hetzij de tweede of derde pensioenpijler. Het zou immers niet logisch zijn de belastingplichtigen via belastingverminderingen aan te moedigen om een pensioen van de tweede of derde pijler op te bouwen, om daarna de meerwaarde die daaruit voortvloeit te belasten op het moment dat de belastingplichtige het bijeen gespaarde kapitaal opneemt.
2.2.3 Art. 96/2, eerste lid, 6°, WIB 92 – lex specialis derogat legi generali
106. Art. 96/2, eerste lid, 6°, WIB 92, stelt dat de inkomsten uit financiële activa – voor zover die belastbaar zijn als roerend inkomen of als beroepsinkomen of onderworpen zijn aan de taks bedoeld in art. 184, van het Wetboek diverse rechten en taksen (= taks op het LT- sparen) – vrijgesteld zijn van de meerwaardebelasting. Dit artikel voorkomt dat er dubbele belasting zou kunnen optreden wanneer een inkomen uit de verwezenlijking van een financieel actiefbestanddeel reeds als een beroepsinkomen of als een roerend inkomen belastbaar is. Een inkomen dat als meerwaarde op een financieel actief wordt gekwalificeerd, kan dus niet gelijktijdig worden gekwalificeerd als een roerend inkomen en/of een beroepsinkomen en/of een ander divers inkomen. Bij het bepalen onder welke categorie een inkomen thuishoort, is het van belang aandachtig te zijn voor de definities en voorwaarden bepaald voor elke categorie, en de meer specifieke voorrang te verlenen boven de algemene (lex specialis derogat legi generali).
107. Dit betekent dat bestaande ficties of specifieke fiscale bepalingen volledig van toepassing blijven. Voorbeelden hiervan zijn:
- de herkwalificatiebepalingen van art. 37, WIB 92 (herkwalificatie van bepaalde roerende en onroerende inkomsten als beroepsinkomen) en 37bis, WIB 92 (herkwalificatie van bepaalde diverse inkomsten als beroepsinkomsten);
- de fictiebepalingen van art. 17, § 1, 6°, WIB 92 en het recente art. 19quater, WIB 92 (carried interest) (68).
(68) Ingevoegd bij de programmawet van 18.07.2025 (BS 29.07.2025 – Numac 2025005578).
108. Sommige bepalingen van het WIB 92 sluiten bepaalde inkomsten van rechtswege uit van een specifieke categorie. Dit is het geval voor art. 21, WIB 92, dat een hele reeks bestanddelen omschrijft die niet kunnen worden gekwalificeerd als roerende inkomsten. Deze bestanddelen kunnen dus logischerwijze wel onder één van de andere overblijvende categorieën vallen (Cass., 06.05.2011 F.10.0050.N), waaronder de meerwaardebelasting.
Een voorbeeld hiervan zijn de roerende inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden betreffende levensverzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon, zoals omschreven in art. 19, § 1, eerste lid, 3°, WIB 92:
Indien het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract, dan zullen de inkomsten niet gekwalificeerd worden als roerende inkomsten. In dat geval is er wel nog de mogelijkheid om een belastingheffing door te voeren op basis van art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92 (zie evenwel randnummer 105).
Indien het contract gesloten is voor een periode van minder dan 8 jaar of de kapitalen worden effectief uitbetaald binnen een periode van 8 jaar na het sluiten van het contract, dan gaat het wel om een roerend inkomen en is geen meerwaardebelasting mogelijk. Uitzondering: In het geval dat de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf heeft verzekerd en de voordelen van het contract bij leven bedongen zijn ten eigen gunste en het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies is de meerwaardebelasting terug mogelijk (zie evenwel randnummer 105).
109. Een bijzonder geval betreft de simultane toepassing van art. 19bis, WIB 92 (zgn. Reynderstaks) en de meerwaardebelasting zoals deze in art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92 wordt voorzien (zie randnummers 201 e.v.).
2.2.4 Art. 96/2, eerste lid, 7°, WIB 92 – Kaaimantaks
110. De inkomsten die in België werden belast op basis van art. 5/1 of 18, eerste lid, 3°/1, WIB 92 ten name van de oprichter/natuurlijke persoon van de juridische constructie (de zogenaamde kaaimantaks) kunnen niet opnieuw belast worden binnen de meerwaardebelasting (toepassing vrijstelling opgenomen in art. 96/2, eerste lid, 6°, WIB 92 – zie randnummer 106). Daarnaast is het belangrijk op te merken dat op basis van art. 96/2, eerste lid, 7°, WIB 92 – in tegenstelling tot wat vermeld staat in randnummer 108 – ook de inkomsten die onder de toepassing van art. 21, eerste lid, 12°, juncto tweede lid, WIB 92 vallen, en die daardoor niet als roerend inkomen worden aangemerkt, evenmin worden meegenomen voor de berekening van de belastbare grondslag van de meerwaardebelasting. De reden hiervoor is dat deze inkomsten reeds in hoofde van de oprichter werden belast als roerend inkomen op het moment dat ze werden verkregen door de entiteit.
Voor de toepassing van art. 96/2, eerste lid, 7°, en art. 5/1, § 1, derde lid, WIB 92 worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd, en worden de inkomsten geacht in België hun belastingregime niet te hebben ondergaan, indien deze buiten het toepassingsgebied van het WIB 92 vallen of krachtens het WIB 92 of een verdrag worden vrijgesteld (69).
(69) Art. 96/2, laatste lid, WIB 92.
2.2.5 Art. 96/2, eerste lid, 8°, WIB 92 – uitonverdeeldheidtreding
111. Een uitonverdeeldheidtreding wordt beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel en kan bijgevolg aanleiding geven tot de toepassing van de meerwaardebelasting op financiële activa. Dit is evenwel slechts het geval indien de uitonverdeeldheidtreding gepaard gaat met een impliciete ruil van financiële activa tussen de deelgenoten. Van een dergelijke impliciete ruil is geen sprake wanneer iedere deelgenoot bij de verdeling financiële activa verkrijgt die overeenstemmen met zijn of haar proportionele gerechtigdheid in die activa. In dat geval leidt de uitonverdeeldheidtreding niet tot een belastbaar moment.
Zo zal bijvoorbeeld geen belastbaar moment ontstaan wanneer personen A en B elk houder zijn van 50 % van de rechten in een maatschap die 100 aandelen X aanhoudt, en zij bij ontbinding van de maatschap beslissen om uit onverdeeldheid te treden waarbij iedere deelgenoot 50 aandelen X verkrijgt. De verdeling weerspiegelt in dat geval louter de vooraf bestaande gerechtigdheid van de deelgenoten. Daarentegen ontstaat wel een belastbaar moment, naar rato van de impliciete ruil, wanneer de uitonverdeeldheidtreding ertoe leidt dat de deelgenoten andere financiële activa verkrijgen dan die waarop zij oorspronkelijk proportioneel gerechtigd waren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer personen A en B elk gerechtigd zijn tot de helft van een onverdeeld vermogen bestaande uit 100 aandelen X en 100 aandelen Y, en zij vervolgens bij de ontbinding van de maatschap uit onverdeeldheid treden waarbij persoon A alle 100 aandelen X verkrijgt en persoon B alle 100 aandelen Y. In die situatie is sprake van een impliciete ruil van financiële activa tussen de deelgenoten, waardoor de uitonverdeeldheidtreding een belastbaar moment doet ontstaan.
In bepaalde situaties van uitonverdeeldheidtreding waarbij er sprake is van een verwezenlijking is het echter niet wenselijk om de meerwaardebelasting te heffen. Daarom worden de meerwaarden op financiële activa die worden verwezenlijkt bij uitonverdeeldheidtredingen die het gevolg zijn van een overlijden, evenals bij die welke voortkomen uit de ontbinding van een gemeenschap in het kader van een echtscheiding of uit het einde van een wettelijke samenwoning of feitelijke samenwoning vrijgesteld.
Er kan sprake zijn van een gemeenschap in de volgende verschillende huwelijksvermogensstelsels: het wettelijk stelsel, een conventioneel gemeenschapsstelsel, de algehele gemeenschap of nog de scheiding van goederen met een beperkte of uitgestelde gemeenschap. In geval van een echtscheiding zal er in die situaties een uitonverdeeldheidtreding plaatsvinden. Dezelfde redenering is van toepassing op situaties van beëindiging van wettelijke samenwoning, evenals op het einde van een feitelijke samenwoning.
112. Er is slechts een vrijstelling indien de uitonverdeeldheidtreding binnen de drie jaar na het overlijden, de echtscheiding of het einde van de wettelijke - of feitelijke samenwoning plaatsvindt.
113. Eigendomsoverdrachten bij overlijden, hetzij door wettelijke erfopvolging of contractuele erfstelling, hetzij bij testament, worden niet aangemerkt als een overdracht onder bezwarende titel. Ze leiden dus niet tot de verwezenlijking van een meerwaarde in de zin van art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 (zie randnummer 83). Wanneer binnen de drie jaar na het overlijden een uitonverdeeldheidtreding plaatsvindt dan zal deze overdracht evenmin aanleiding geven tot een meerwaardebelasting. Dit volgt uit de vrijstelling van art. 96/2, eerste lid, 8°, WIB 92. Op te merken is wel dat bij een latere overdracht onder bezwarende titel de oorspronkelijke aanschaffingswaarde moet worden toegepast (zie randnummer 143) (toepassing art. 102, § 1, derde lid, d), WIB 92).
114. De inbreng in een huwelijksgemeenschap wordt niet aangemerkt als een overdracht onder bezwarende titel (70). Zij geeft dus evenmin aanleiding tot de verwezenlijking van een meerwaarde in de zin van art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92. Wanneer bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap een overdracht onder bezwarende titel plaatsvindt in het kader van een uitonverdeeldheidtreding, leidt ook deze overdracht niet tot een meerwaardebelasting. Dit volgt uit de vrijstelling van art. 96/2, eerste lid, 8°, WIB 92. Op te merken is wel dat bij een latere overdracht ten bezwarende titel de oorspronkelijke aanschaffingswaarde moet worden toegepast.
(70) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 174/175 en DOC 56 1244/007, blz. 25.
2.2.6 Art. 95/1 en 96/1, WIB 92 – reorganisatie ICB
115. Art. 95/1 en 96/1, WIB 92 voorzien in een mechanisme van vrijstelling bij de reorganisatie van ICB's (d.w.z. bij fusies, splitsingen en ermee gelijkgestelde verrichtingen) (71). Deze verrichtingen worden in de regel uitgevoerd op initiatief van de betrokken ICB, doorgaans zonder dat de beleggers die hun aandelen aanhouden hiervoor hun toestemming moeten geven en zonder dat dit leidt tot een daadwerkelijke verrijking van deze beleggers.
(71) Naar analogie met de art. 95 en 96, WIB 92.
116. Het gaat hier om een de facto tijdelijke vrijstelling, in de zin dat de aandelen die worden verkregen naar aanleiding van de bedoelde reorganisaties van ICB's uiteindelijk, wanneer ze onder bezwarende titel worden overgedragen, aanleiding zullen geven tot de verwezenlijking van een belastbare meerwaarde volgens het nieuwe regime, rekening houdend met de verkrijgingswaarde van de omgeruilde aandelen.
117. In het geval van een splitsing geldt dezelfde redenering, met dat onderscheid dat er twee of meerdere soorten aandelen in ruil worden ontvangen.
Een belastingplichtige heeft 100 aandelen van een beleggings-vennootschap aangekocht op 01.04.2026 voor 50 euro per aandeel. Kort na aankoop vindt er een reorganisatie plaats binnen de beleggingsvennootschap. Het betreft een splitsing van de beleggingsvennootschap in een compartiment A (werkelijke waarde 60 % van de gesplitste beleggingsvennootschap) en een compartiment B (werkelijke waarde 40 % van de gesplitste beleggingsvennootschap), waarbij de belastingplichtige in ruil 100 aandelen A ontvangt en 100 aandelen B. De aanschaffingswaarde die bij een latere vervreemding in rekening zal worden gebracht, zal 30 euro bedragen voor de aandelen A en 20 euro voor de aandelen B. De totale in rekening genomen aanschaffingswaarde van de aandelen A en B (3.000 euro en 2.000 euro) komt zo overeen met de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijke aandelen (5.000 euro).
118. Art. 171, 2°, e), WIB 92 bepaalt dat de meerwaarden op financiële activa die worden verwezenlijkt binnen het algemeen regime (zoals bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92), na toepassing van de vrijstellingen van art. 96/2, 2° en 3°, WIB 92, worden belast aan een tarief van 10 %. Dit tarief geldt tenzij globalisatie voordeliger is (72). Bovendien wordt dit tarief toegepast zonder verhoging met gemeentelijke opcentiemen (73).
(72) Art. 171, inleidende zin, WIB 92.
(73) Art. 466, tweede lid, WIB 92.
119. Een roerende voorheffing van 10 % kan alleen worden ingehouden op de meerwaarden op financiële activa bedoeld in art. 92, § 1, a) en b), WIB 92 (het gaat om de financiële instrumenten, verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen) (74). Voor deze meerwaarden kan de belastingplichtige kiezen voor een opt-out, waardoor geen roerende voorheffing wordt ingehouden.
Bij de berekening van de in te houden roerende voorheffing mogen de schuldenaars van de roerende voorheffing geen rekening houden met (75):
- de basisvrijstelling en aanvullende vrijstelling van art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92,
- de hogere aanschaffingswaarde zoals bedoeld in art. 102, § 4, vierde lid WIB 92 en art. 102/1, § 4, derde lid, WIB 92,
- de minderwaarden zoals bedoeld in art. 102, § 5, WIB 92 en art. 102/1, § 5, WIB 92.
Meer informatie over de roerende voorheffing en de opt-out wordt opgenomen in een afzonderlijke circulaire.
(74) Art. 261, eerste lid, 5°, WIB 92.
(75) Art. 261, eerste lid, 5°, WIB 92.
120. De meerwaarden op financiële activa zoals bedoeld in art. 92, § 1, c) en d), WIB 92 (cryptoactiva, geldmiddelen en beleggingsgoud) moeten altijd verplicht worden aangegeven in de aangifte personenbelasting verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt. Over deze meerwaarden is er immers geen roerende voorheffing verschuldigd.
Hetzelfde geldt voor de meerwaarden die worden belast in het kader van de exit taks (zie randnummer 84). Ook daarop is geen roerende voorheffing verschuldigd, waardoor zij eveneens verplicht moeten worden opgenomen in de aangifte personenbelasting.
121. Wanneer roerende voorheffing wel werd ingehouden op de meerwaarden bedoeld in art. 92, § 1, a) en b), WIB 92, heeft de belastingplichtige geen aangifteplicht meer in de personenbelasting voor deze inkomsten. Hij kan er echter voor kiezen om deze inkomsten vrijwillig in de aangifte op te nemen. In dat geval kan de belastingplichtige de ingehouden roerende voorheffing volledig verrekenen met de uiteindelijk verschuldigde belasting.
122. Omdat er bij de inhouding van de roerende voorheffing geen rekening werd gehouden met:
- de basisvrijstelling en aanvullende vrijstelling van art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92,
- de hogere aanschaffingswaarde zoals bedoeld in art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92 en art. 102/1, § 4, derde lid, WIB 92,
- de minderwaarden zoals bedoeld in art. 102, § 5, WIB 92 en art. 102/1, § 5, WIB 92,
kan de belastingplichtige dit steeds via de aangifte personenbelasting rechtzetten (76). De belastingplichtige dient de nodige bewijsstukken ter beschikking te houden van de belastingdienst.
(76) Art. 307, § 1/1, vierde lid, WIB 92.
123. Ook in de situatie waarin de schuldenaar van de roerende voorheffing verplicht is tot de inhouding ervan en deze geen kennis heeft van de aanschaffingswaarde van het financiële actief, zal de schuldenaar van de roerende voorheffing bijgevolg de roerende voorheffing inhouden op de ontvangen prijs. De belastingplichtige kan naderhand via de aangifte personenbelasting, een verrekening van de ingehouden roerende voorheffing doorvoeren. De belastingplichtige dient de nodige bewijsstukken ter verantwoording van het concrete bedrag van de aanschaffingswaarde ter beschikking te houden van de belastingdienst.
124. Omdat de roerende voorheffing pas vanaf 01.06.2026 moet worden ingehouden, is een overgangsmaatregel voorzien. Op verzoek van alle titularissen van de rekening, of van de rechthebbende in het geval van verzekeringsovereenkomsten, kan voor de periode van 01.01.2026 tot en met 31.05.2026, door de in art. 261, eerste lid, 5°, WIB 92 bedoelde schuldenaar, een bedrag equivalent aan de roerende voorheffing, nl. 10 % worden gestort (opt-in – art. 35, W 06.04.2026). Dit bedrag wordt gelijkgesteld met daadwerkelijk ingehouden roerende voorheffing. Wanneer dit bedrag werd ingehouden op de meerwaarden bedoeld in art. 92, § 1, a) en b), WIB 92, heeft de belastingplichtige geen aangifteplicht meer in de personenbelasting voor deze inkomsten.
Meer informatie over deze opt-in regeling wordt eveneens opgenomen in een afzonderlijke circulaire.
125. Art. 102, WIB 92 bestaat uit vijf paragrafen die ieder een aspect behandelen van de vaststelling van het netto-inkomen van de meerwaardebelasting.
1. Art. 102, § 1, WIB 92 – Algemeen principe
De meerwaarde is het positieve verschil tussen de verkregen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde.
2. Art. 102, § 2, WIB 92 – Eerste uitzondering op het algemeen principe: exit-taks
Deze bepaling bevat de regels die gelden in de situatie dat de belastingplichtige zijn hoedanigheid van rijksinwoner verliest.
3. Art. 102, § 3, WIB 92 – Aanschaffingswaarde bij immigratie
Hier wordt bepaald welke aanschaffingswaarde geldt wanneer een belastingplichtige de hoedanigheid van rijksinwoner verkrijgt.
4. Art. 102, § 4, WIB 92 – Aanschaffingswaarde voor financiële activa verkregen vóór 01.01.2026
- § 4, eerste lid:
Voor financiële activa die vóór 01.01.2026 zijn verkregen, geldt als aanschaffingswaarde de waarde op 31.12.2025 (het fotomoment). Hierdoor worden historische meerwaarden vrijgesteld.
- § 4, laatste lid:
Voor overdrachten tot en met 31.12.2030 van financiële activa die vóór 01.01.2026 werden verkregen, wordt op het verzoek van de belastingplichtige geen rekening gehouden met het fotomoment op 31.12.2025, maar wel met de aanschaffingswaarde die hij kan aantonen. Dit zal uiteraard enkel interessant zijn wanneer die aanschaffingswaarde hoger ligt dan de waarde op het fotomoment.
5. Art. 102, § 5, WIB 92 – Aanrekening van minderwaarden
Een minderwaarde is het negatieve verschil tussen de verkregen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde.
6. Art. 102/1, WIB 92 – Tweede uitzondering op het algemeen principe: levensverzekeringsovereenkomst
Dit artikel bevat een bijkomende uitzondering op de algemene berekeningsregels, namelijk de behandeling van uitkeringen bij leven uit levensverzekeringsovereenkomsten.
Hierna volgt een gedetailleerde bespreking van de inhoud van art. 102 en 102/1, WIB 92.
126. De belastbare basis van de meerwaardebelasting is gelijk aan het positieve verschil tussen de voor de overgedragen financiële activa verkregen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde van die financiële activa. De verkoopprijs betreft de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa verkregen prijs of waarde. De aanschaffingswaarde betreft de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen (77).
De rechtsvoorganger is de persoon van wie (de rechten op) het financieel actief werd(en) verkregen. Het is het tegenovergestelde begrip van de rechtsopvolger of de rechtsverkrijger. De relevantie ervan is beperkt tot die situaties waarin de belastingplichtige het actief kosteloos heeft verkregen (78).
(77) Art. 102, § 1, eerste en tweede lid, WIB 92.
(78) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 31.
127. Wanneer bijvoorbeeld de belastingplichtige de financiële activa heeft verkregen ingevolge erfenis of bij schenking, wordt de meerwaarde berekend op basis van de waarde waarvoor de erflater of de schenker (= de rechtsvoorganger) deze activa heeft aangeschaft.
Voorbeeld:
X bezit sinds 2026 een effectenportefeuille waarvan de oorspronkelijke aanschaffingswaarde 20.000 euro bedraagt. X overlijdt in 2030. X junior is enige erfgenaam. De waarde van de portefeuille bedraagt op het ogenblik van overlijden 30.000 euro. X junior verkoopt in 2035 de volledige portefeuille voor 35.000 euro.
In dit geval verwezenlijkt X junior een meerwaarde van 15.000 euro (zijnde 35.000 – 20.000). Hij kan wel nog genieten van een vrijstelling zoals voorzien in art.96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92. Het bedrag na vrijstelling is in principe afzonderlijk belastbaar tegen 10 %.
128. Wanneer een belastingplichtige cryptoactiva via een airdrop verkrijgt dan zijn deze cryptoactiva om niet verkregen en is er dus op ogenblik van verkrijging geen aanschaffingswaarde. Bovendien heeft de rechtsvoorganger deze veelal zelf ontwikkeld en dus niet verworven tegen een prijs. Op het moment van creatie hebben ze meestal geen intrinsieke marktwaarde. Dat betekent dat er dan geen aanschaffingswaarde bestaat. Het volledige bedrag dat bij de latere verkoop wordt verwezenlijkt, zal daarom als een meerwaarde worden aangemerkt (79).
(79) Zie Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 8 en 9.
129. Art. 102, § 1, vijfde lid, WIB 92 bepaalt de methode voor de berekening van de meerwaarden verwezenlijkt op financiële activa waarvan de waarde anders dan in euro is uitgedrukt. Zowel op het moment van aankoop als op het moment van verwezenlijking moeten de bedragen worden omgerekend in euro en dit op basis van de wisselkoers op die specifieke momenten.
Voorbeeld:
Aankoop van 10 aandelen in 2026 voor 100 dollar per aandeel. De wisselkoers bedraagt op dat moment 1 dollar = 0,8 euro. Verkoop in 2029 van deze 10 aandelen voor 110 dollar per aandeel. De wisselkoers bedraagt dan 1 dollar = 0,7 euro.
Minderwaarde = 30 euro, nl. (110 x 0,7 x 10) – (100 x 0,8 x 10) ofwel 770 – 800.
130. Het betreft een netto belastbare basis. De betaling van eventuele kosten of belastingen — ongeacht de aard — wordt niet mee in rekening genomen bij de berekening van de meerwaarde. Geen enkele kost die werd aangegaan voor de verkrijging of de verkoop van het actief wordt voor de berekening in aanmerking genomen. De eventuele taksen betaald voor de uitvoering van die aankoop- en verkoopverrichtingen, zoals de taks op de beursverrichtingen hebben geen invloed op de berekening van de meerwaarde. Dit is ook het geval met betrekking tot de kosten die door de belastingplichtige gemaakt zijn met het oog op de waardering van niet-beursgenoteerde financiële activa (bijv. de kosten van een revisor).
131. Het spreekt voor zich dat in geval van volkomen transparantie (bijvoorbeeld rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid), er naar de onderliggende activa zal worden gekeken die worden verwezenlijkt.
132. Wanneer aandelen worden ingebracht in een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid dan staat het de deelgenoten van de maatschap uiteraard vrij om, gelet op het belang van de historische aanschaffingswaarden bij het bepalen van de meerwaardebelasting, in hun onderlinge verhoudingen, bv. bij het opstellen van de maatschapsovereenkomst of het bepalen van de inbrengwaarde van de activa in de maatschap, rekening te houden met potentiële of latente belastingen die aan de ingebrachte activa kleven. In toepassing van de fiscaal transparante behandeling van de maatschap zullen de inkomsten bij de verkoop van de aandelen in verhouding worden aangerekend aan de deelgenoten, rekening houdend met de bepalingen van het maatschapscontract.
Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van het volgende voorbeeld:
Natuurlijke persoon A en natuurlijke persoon B beslissen een maatschap op te richten. A bezit 2 aandelen X en B bezit 2 aandelen Y. Ze brengen beide hun aandelen in in de maatschap. Op het moment van de inbreng heeft een aandeel X en een aandeel Y een gelijke waarde. Daarom ontvangen ze elk de helft van de deelbewijzen in de maatschap. De inbreng in de maatschap is een overdracht ten bezwarende titel en houdt voor iedere persoon een moment van verwezenlijking in voor de helft van de ingebrachte aandelen.
Omdat het een inbreng van aandelen betreft, kan een beroep worden gedaan op de vrijstelling voorzien in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Op het moment van de inbreng van de aandelen zal dus geen meerwaardebelasting verschuldigd zijn. De oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen blijft evenwel behouden. In het geval van een latere verwezenlijking tijdens de duurtijd van de maatschap betekent dit dat de meerwaarde berekend moet worden aan de hand van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de aandelen.
Wanneer in het voorbeeld zoals opgenomen hiervoor aandeelhouder A de aandelen X heeft aangekocht aan een waarde van 20 euro, en aandeelhouder B de aandelen Y heeft aangekocht aan een waarde van 50 euro (totale aanschaffingswaarde = 140), betekent dit dat op het moment van de verwezenlijking —wanneer de aandelen X bijvoorbeeld 140 euro en de aandelen Y 160 euro waard zijn — een meerwaarde van 460 euro (600 – 140) verwezenlijkt wordt. Deze meerwaarde zal rechtstreeks in hoofde van beide personen elk voor de helft belast worden. Iedere persoon verwezenlijkt dus een belastbare meerwaarde van 230 euro.
Om rekening te houden met de historische aanschaffingswaarde die in het geval van de inbreng van aandelen in een maatschap relevant blijft, staat het de leden van de maatschap vrij om — in de maatschapsovereenkomst — een verschillend gewicht aan de deelbewijzen te verbinden. Dit zal ook het geval zijn voor de in art. 29, § 2, WIB 92 opgesomde vennootschappen en verenigingen.
133. Art. 102, § 1, derde lid, WIB 92 bevat specifieke methoden voor de bepaling van de meerwaarde door de notie aanschaffingswaarde in het kader van specifieke situaties een afzonderlijke betekenis te geven. Het gaat om aandelen en/of opties verkregen in het kader van aandelenoptieplannen, om aandelen verkregen met prijsreductie, om aandelen verkregen ingevolge een inbreng en om aandelen verkregen ingevolge een zusterfusie.
3.1.1 Aandelen die werden verkregen overeenkomstig de art. 41 tot 47 van de wet van 26.03.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (BS 01.04.1999 – Numac: 1999012205) (hierna W 26.03.1999)
134. Art. 41 tot en met 47, W 26.03.1999 regelen het fiscale regime van aandelenopties die worden toegekend uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde. In dat kader wordt het voordeel van alle aard belast op het moment van de toekenning van de optie. Voor aandelen die onder toepassing van deze regelgeving werden verkregen en waarbij de opties werden belast op het moment van toekenning, is de aanschaffingswaarde gelijk aan de waarde op het moment van de uitoefening van de optie. Voor de aanschaffingswaarde van dergelijke aandelen moet dus niet teruggegrepen worden naar de oorspronkelijke uitoefenprijs, maar wel naar de waarde van het aandeel op het moment van de uitoefening van de optie.
Voorbeeld:
Stel dat in 2026 een optie met een looptijd van zeven jaar wordt toegekend om een aandeel te kopen met een uitoefenprijs van 10 euro. De optie is uitoefenbaar vanaf 2031. De koers van het aandeel in 2031 bedraagt 20 euro. De belastingplichtige beslist echter om de optie nog niet uit te oefenen en wacht tot 2033. De koers van het aandeel bedraagt op dat moment 23 euro. Het aandeel wordt verkocht in 2034 voor 26 euro. Voor de berekening van de meerwaardebelasting zal de aanschaffingswaarde 23 euro bedragen en de meerwaarde bijgevolg 3 euro. Het verschil tussen de waarde op het moment van de uitoefening in 2033, zijnde 23 euro, en de uitoefenprijs, zijnde 10 euro, is niet belastbaar als beroepsinkomen en is ook niet belastbaar overeenkomstig de nieuwe meerwaardebelasting.
135. In de meeste gevallen zal een werknemer zijn aandelenopties pas uitoefenen op het ogenblik dat hij de onderliggende aandelen ook daadwerkelijk wil verkopen. Daardoor worden de verkregen aandelen doorgaans onmiddellijk na de uitoefening van de optie verkocht. Omdat de aanschaffingswaarde van deze aandelen gelijk is aan de waarde op het moment van uitoefening van de optie, ontstaat er in de praktijk meestal geen belastbare meerwaarde meer op het ogenblik van verkoop (80).
(80) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 182.
3.1.2 Aandelen verkregen overeenkomstig de art. 48 en 49, W 26.03.1999 en andere aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten ontvangen met prijsreductie
136. Art. 48 en 49, W 26.03.1999 bepalen dat het voordeel dat werknemers verkrijgen wanneer zij, in het kader van een kapitaalverhoging voor het personeel, kunnen inschrijven op aandelen tegen een verminderde prijs of aandelenopties ontvangen, onder bepaalde voorwaarden (81) niet wordt beschouwd als een belastbaar voordeel.
Voor de aandelen die binnen dit kader worden verworven, geldt dat de aanschaffingswaarde gelijk is aan de waarde op het moment van de verwerving van deze aandelen.
Dit betekent dat bij de berekening van een eventuele meerwaarde op aandelen die binnen dit toepassingsgebied zijn verkregen geen rekening wordt gehouden met de verkregen korting, zelfs niet wanneer de belastingplichtige op het ogenblik van de verwerving niet op dat voordeel werd belast.
Voorbeeld:
Stel dat in 2026 werd ingeschreven op een kapitaalverhoging. De aandelenkoers bedroeg toen 100 euro, terwijl men kon inschrijven voor 80 euro, met als voorwaarde dat het aandeel gedurende 5 jaar niet overdraagbaar was. In 2031 werd het aandeel verkocht voor 110 euro. Voor de berekening van de meerwaardebelasting zal de aanschaffingswaarde 100 euro bedragen, waardoor de meerwaarde 10 euro bedraagt. Het verschil tussen 80 euro en 100 euro is niet belastbaar als beroepsinkomen voor zover de voorwaarden van de art. 48 tot 49, W 26.03.1999 (82) zijn voldaan, en is evenmin belastbaar overeenkomstig de nieuwe meerwaardebelasting.
(81) Overeenkomstig de bepalingen van art. 52septies van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, overgenomen in art. 7:204, WVV.
(82) De interpretatie van art. 36, WIB 92 zoals vastgelegd in art. 49, W 26.03.1999, biedt een wettelijke basis voor het standpunt uit de circulaire nr. Ci.RH.241/467.450 d.d. 21.06.1995. Dat standpunt houdt in dat het voordeel dat werknemers verkrijgen wanneer zij kunnen inschrijven op aandelen tegen verminderde prijs in het kader van het vroegere art. 52septies van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, ten name van de begunstigde personeelsleden, niet wordt beschouwd als een belastbaar voordeel. Dit standpunt is nog steeds geldig wanneer de inschrijving gebeurt in het kader van art.7:204, WVV. Wanneer aan de voorwaarden van art. 7:204, WVV is voldaan, zal het voordeel verkregen bij inschrijving van aandelen tegen een verminderde prijs ten name van de personeelsleden van de vennootschap of van de personeelsleden van een dochtervennootschap (zie art. 1:27, WVV) niet als een belastbaar voordeel worden aangemerkt.
137. Daarnaast moet worden opgemerkt dat ook voor aandelen die buiten het toepassingsgebied van de art. 48 en 49, W 26.03.1999 vallen of voor met aandelen gelijkgestelde instrumenten die met een prijsreductie worden verkregen, de aanschaffingswaarde wordt gelijkgesteld met de waarde van het aandeel of van het met een aandeel gelijkgesteld instrument op het moment van verwerving.
Voorbeeld 1:
Stel dat in 2026 een gratis aandeel werd ontvangen. Op het moment van toekenning bedroeg de aandelenkoers 100 euro. De werknemer werd belast op 100 euro. In 2027 werd het aandeel verkocht voor 105 euro. Voor de berekening van de meerwaardebelasting zal de aanschaffingswaarde 100 euro bedragen en de meerwaarde bijgevolg 5 euro. Het verschil tussen 0 euro en 100 euro werd reeds belast als beroepsinkomen in 2026 en is niet belastbaar overeenkomstig de nieuwe meerwaardebelasting.
Voorbeeld 2:
Stel dat een werknemer in 2026 van zijn werkgever een beursgenoteerd aandeel verkrijgt voor een prijs van 100 euro, terwijl de beurswaarde op dat moment 120 euro bedraagt. De betrokken partijen komen overeen dat het aandeel bij de werknemer gedurende ten minste 2 jaar onbeschikbaar is gemaakt. Het voordeel van 20 euro werd niet belast op het moment van verkrijging (83). In 2029 verkoopt de werknemer het aandeel voor 150 euro. Voor de berekening van de meerwaardebelasting wordt de aanschaffingswaarde vastgesteld op de werkelijke waarde op het moment van verwerving, nl. 120 euro. De meerwaarde bedraagt bijgevolg 30 euro. Het verschil tussen de betaalde prijs (100 euro) en de waarde bij verkrijging (120 euro) wordt niet belast als beroepsinkomen (er is dus geen belastbaar voordeel) en valt evenmin onder de nieuwe meerwaardebelasting.
(83) Zie de 100/120ste-regel opgenomen in de circulaire nr. Ci.RH.241/467.450 d.d. 21.06.1995.
3.1.3 Opties verkregen overeenkomstig de art. 41 tot 47, W 26.03.1999
138. Voor opties die worden toegekend binnen het toepassingsgebied van de art. 41 tot en met 47, W 26.03.1999 wordt de aanschaffingswaarde bepaald als de hoogste van de volgende twee waarden:
of
Voorbeeld:
Stel dat in 2026 een optie met een looptijd van tien jaar wordt toegekend om een aandeel te kopen met uitoefenprijs van 10 euro. Het belastbaarvoordeel zoals vastgesteld en toegepast overeenkomstig de W 26.03.1999 bedraagt 2,3 euro. De optie is overdraagbaar vanaf 2027. De marktwaarde van de optie op dat moment bedraagt 3,5 euro. De belastingplichtige beslist om de optie nog niet over te dragen of uit te oefenen en wacht tot 2033 om de optie te verkopen. De waarde van de optie bedraagt op dat moment 4 euro. Voor de berekening van de meerwaardebelasting zal de aanschaffingswaarde 3,5 euro bedragen en de meerwaarde bijgevolg 0,5 euro. De waarde van de optie op moment van toekenning werd reeds belast als beroepsinkomen in 2026.
(84) Zie Circulaire nr. AFZ/99-1287 dd. 17.12.1999.
3.1.4 Aandelen die worden aangehouden ingevolge een inbreng zoals bedoeld in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92
139. Voor de in ruil ontvangen aandelen ingevolge een inbreng zoals bedoeld in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92 is de aanschaffingswaarde gelijk aan de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden aandelen (zijnde de voorheen ingebrachte aandelen).
Voorbeeld :
Feiten: X bezit 20 % van de aandelen in vennootschap A, verworven bij de oprichting in 2026. Het gestort kapitaal van vennootschap A bij oprichting bedroeg 100.000 euro. In 2028 brengt X zijn aandelen van vennootschap A in in een bestaande vennootschap B. Vennootschap B verwerft hierdoor in totaal niet meer dan 50 % van de stemmen in A (85). In ruil krijgt hij 2 % van de aandelen van vennootschap B, met een waarde van 40.000 euro. In 2032 trekt X zich terug uit vennootschap B en verkoopt zijn participatie voor 90.000 euro aan een andere aandeelhouder.
Bij de inbreng in 2028 ontstaat een meerwaarde van 20.000 euro, nl. 40.000 - 20.000. Deze meerwaarde is vrijgesteld op basis van art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Bij de verkoop van de aandelen van vennootschap B in 2032 wordt de meerwaarde berekend volgens art. 102, § 1, derde lid, d), WIB 92, waarbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen van de vennootschap A. Dit leidt tot een meerwaarde van 70.000 euro (zijnde 90.000 – 20.000). X kan genieten van een basisvrijstelling, eventueel verhoogd met de aanvullende vrijstellingen zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92. De meerwaarde wordt, na toepassing van de vrijstellingen, belast aan 10 %.
(85) Indien B ingevolge de inbreng in totaal wel meer dan 50 % van de stemmen in A zou verwerven, kan – mits voldaan is aan de voorwaarden – de vrijstelling worden toegekend op basis van art. 95, WIB 92.
3.1.5 Aandelen van een vennootschap die bij een eerdere verrichting van vereenvoudigde zusterfusie als overnemende vennootschap werd aangeduid
140. Wanneer een belastingplichtige aandelen overdraagt van een vennootschap die bij een eerdere vereenvoudigde zusterfusie als overnemende vennootschap optrad, wordt de aanschaffingswaarde als volgt bepaald:
- de waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger deze overgedragen aandelen onder bezwarende titel heeft verkregen,
- verhoogd met de waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de aandelen van elke overgenomen vennootschap onder bezwarende titel heeft verkregen (86).
(86) Deze toevoeging aan art. 102, § 1, derde lid, WIB 92 houdt rekening met de wijzigingen aangebracht door art. 5 van de wet van 30.10.2025 tot wijziging van het WIB 92 en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wat betreft fiscaal neutrale reorganisaties (BS 24.11.2025; Parl. St. Kamer, 56-0654).
141. Wanneer een aandeelhouder aandelen overdraagt van een vennootschap die eerder één of meerdere zustervennootschappen heeft overgenomen via een vereenvoudigde fusie, moet de fiscale aanschaffingswaarde van deze aandelen ook de aanschaffingswaarde van de aandelen van de overgenomen vennootschappen omvatten.
Dit principe bestaat al in het boekhoudrecht, namelijk in art. 3:19, § 1, derde lid van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (KB/WVV), wanneer de aandeelhouder zelf een vennootschap is (87).
De opname van de berekeningsregel onder art. 102, § 1, derde lid, e), WIB 92 zorgt nu voor een gelijkwaardige regel op fiscaal vlak, die geldt voor zowel natuurlijke personen als vennootschappen die aandelen aanhouden.
(87) Ingevoerd door het KB van 26.11.2023 (BS 11.12.2023 – Numac 2023046526).
142. De oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de aandelen van de overnemende vennootschap wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met:
- de som van de aanschaffingswaarden van de aandelen van de overgenomen vennootschappen,
- evenredig verdeeld over het aantal aandelen van de overnemende vennootschap.
Op die manier wordt de continuïteit van de fiscale waardering voor de gezamenlijke aandeelhouder gewaarborgd: de prijs die hij betaalde voor de aandelen vóór de overname van de gefuseerde vennootschappen blijft volledig behouden in de aanschaffingswaarde van de aandelen van de vennootschap die uit de fusie voortvloeit.
Art. 102, § 1, derde lid, e), WIB 92 voorkomt dat de latere overdracht van de aandelen door een natuurlijke persoon als aandeelhouder aanleiding zou geven tot dubbele belasting of juist geen belasting. Zonder deze bepaling zou de fiscale aanschaffingswaarde immers niet noodzakelijk correct zijn. Een aandeelhouder die bijvoorbeeld aandelen van twee zustervennootschappen aan verschillende prijzen heeft verworven, zou na de fusie nog slechts aandelen van één vennootschap aanhouden. Omdat bij een vereenvoudigde fusie de aandelen van de overgenomen vennootschap worden vernietigd en er geen aandelenruil of uitgifte van nieuwe aandelen plaatsvindt, zou de correcte fiscale waarde zonder deze bepaling verloren gaan.
Door deze aanpassing wordt de fiscale vaststelling van de aanschaffingswaarde nu duidelijk en coherent gemaakt, in lijn met het boekhoudrecht, en dit ook voor natuurlijke personen. De logica is eenvoudig: de fiscale aanschaffingswaarde volgt voortaan een optelling van de historische aanschaffingswaarden. Hierdoor kan een vereenvoudigde zusterfusie op zich nooit een belastbare meerwaarde creëren, noch doen verdwijnen.
Voorbeeld:
a) Situatie vóór de vereenvoudigde fusie
Vennootschap A en vennootschap B zijn zustervennootschappen. Belastingplichtige X is aandeelhouder in beide vennootschappen. Hij bezit 100 aandelen van vennootschap A, die hij in 2026 heeft verworven tegen een totale aanschaffingswaarde van 100.000 euro (1.000 euro per aandeel). Daarnaast bezit hij ook 100 aandelen van vennootschap B, eveneens verworven in 2026 tegen een totale aanschaffingswaarde van 200.000 euro (2.000 euro per aandeel).
b) Vereenvoudigde zusterfusie
Vennootschap A neemt vennootschap B over via een vereenvoudigde fusie. Deze fusie verloopt:
- zonder aandelenruil;
- en zonder uitgifte van nieuwe aandelen;
- de aandelen van vennootschap B worden vernietigd.
Na de fusie bezit de aandeelhouder nog steeds 100 aandelen van vennootschap A en geen aandelen van vennootschap B meer.
c) Fiscale aanschaffingswaarde na de fusie – toepassing art. 102, § 1, derde lid, e), WIB 92)
Stap 1 – Basisregel
Oorspronkelijke aanschaffingswaarde aandelen A: 100.000 euro
Stap 2 – Toevoeging
Aanschaffingswaarde aandelen B: 200.000 euro
Stap 3 – Nieuwe totale fiscale aanschaffingswaarde
100.000 euro + 200.000 euro = 300.000 euro
Deze totale fiscale aanschaffingswaarde van 300.000 euro wordt evenredig toegerekend aan de 100 aandelen van vennootschap A.
Gevolg: Fiscale aanschaffingswaarde per aandeel A = 3.000 euro.
d) Overdracht onder bezwarende titel
In 2031 verkoopt X 50 aandelen van vennootschap A tegen 4.000 euro per aandeel.
Totale verkoopprijs: 50 × 4.000 euro = 200.000 euro
Berekening van de fiscale meerwaarde:
200.000 euro – 150.000 euro = 50.000 euro
143. Art. 102, § 1, derde lid, d), WIB 92 voorziet ook in een specifieke methode om de meerwaarde te bepalen wanneer financiële activa die zijn verkregen naar aanleiding van een uitonverdeeldheidtreding zoals bedoeld in art. 96/2, eerste lid, 8°, WIB 92, later worden verkocht. In dat geval wordt de aanschaffingswaarde gelijkgesteld met de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden financiële activa (zie randnummers 113 en 114).
Voorbeeld 1:
X en Y, gehuwd onder het wettelijk stelsel, schrijven in 2026 in op obligaties voor een waarde van 25.000 euro. In 2029 wordt het huwelijk beëindigd en volgt een scheiding. Op dat moment worden de obligaties geraamd op 27.000 euro. In de EOT-overeenkomst wordt bepaald dat de obligaties toekomen aan X. In 2035 verkoopt X de obligaties voor 30.000 euro.
Voor Y ontstaat bij de uitonverdeeldheidtreding in 2029 een meerwaarde van 1.000 euro, nl. 13.500 euro - 12.500.euro Deze meerwaarde is vrijgesteld op basis van art. 96/2, eerste lid, 8°, WIB 92. Bij de verkoop van de obligaties in 2035 door X wordt de meerwaarde berekend volgens art. 102, § 1, derde lid, d), WIB 92, waarbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de obligaties. Dit leidt tot een meerwaarde van 5.000 euro, zijnde 30.000 euro– 25.000 euro. X kan genieten van een basisvrijstelling, eventueel verhoogd met de aanvullende vrijstellingen zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92.
Voorbeeld 2:
Een ouder schenkt op 01.08.2028 een effectenportefeuille in onverdeeldheid aan zijn zoon X en dochter Y. De schenking is niet geregistreerd. De oorspronkelijke aanschaffingswaarde in 2027 bedraagt 5.000 euro en de waarde op het moment van schenking bedraagt 6.000 euro. Kort na de schenking overlijdt de ouder, nl. op 05.12.2028. De waarde van de portefeuille bedraagt op dat ogenblik 6.100 euro. Op 01.09.2031 treden broer en zus uit onverdeeldheid m.b.t. alle goederen binnen de nalatenschap. Broer X verwerft de volledige portefeuille. De waarde van de portefeuille wordt op dat ogenblik geschat op 7.000 euro. In 2033 verkoopt hij de volledige portefeuille voor 8.000 euro.
Voor zus Y ontstaat bij de uitonverdeeldheidtreding op 01.09.2031 een meerwaarde van 1.000 euro, nl. (7.000 euro – 5.000 euro)/2. Deze meerwaarde is vrijgesteld op basis van art. 96/2, eerste lid, 8°, WIB 92. De uitonverdeeldheidtreding kadert immers in de afhandeling van de totale nalatenschap en vloeit voort uit het overlijden van hun ouder d.d. 05.12.2028 (uitonverdeeldheidtreding binnen drie jaar na overlijden). We grijpen in deze situatie ter berekening van de driejarige periode niet terug naar de datum van de schenking. Bij de verkoop van de effectenportefeuille in 2033door zoon X wordt de meerwaarde berekend volgens art. 102, § 1, derde lid, d), WIB 92, waarbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde. Dit leidt tot een meerwaarde van 3.000 euro, zijnde 8.000 euro – 5.000 euro. Zoon X kan wel genieten van een basisvrijstelling, eventueel verhoogd met de aanvullende vrijstellingen zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92.
144. Art. 102, § 1, vierde lid, WIB 92 legt een uniforme regel vast voor het geval waarin eenzelfde belastingplichtige achtereenvolgens verschillende identieke financiële activa heeft verworven aan verschillende aankoopprijzen. Voor de berekening van de meerwaarde wordt de FIFO-methode weerhouden. Bij verkoop van een deel van deze activa wordt de meerwaarde berekend op basis van de aankoopprijs van de eerst verworven financiële activa. Omwille van praktische en administratieve overwegingen, dient, wanneer eenzelfde belastingplichtige identieke financiële activa op verschillende effectenrekeningen aanhoudt, de FIFO-methode afzonderlijk op het niveau van elke effectenrekening te worden toegepast (88). In de hierna volgende voorbeelden gaan we ervan uit dat allefinanciële activa worden aangehouden op eenzelfde effectenrekening.
Voorbeeld 1
Een belastingplichtige heeft 3 verschillende aankopen gedaan van eenzelfde financieel actief, nl.:
- 10 aandelen werden gekocht aan 100 euro in 2026;
- 20 aandelen werden gekocht aan 150 euro in 2027;
- 70 aandelen werden gekocht aan 200 euro in januari 2028.
Indien 25 aandelen werden verkocht in februari 2028 en dit voor 200 euro/aandeel dan bedraagt de meerwaarde 1.750 euro =
10 x (200 – 100) + 15 x (200 – 150).
Voorbeeld 2
Een belastingplichtige heeft 3 verschillende aankopen gedaan van eenzelfde financieel actief, nl.:
- 10 aandelen werden gekocht aan 100 euro in 2026;
- 20 aandelen werden gekocht aan 210 euro in 2027;
- 70 aandelen werden gekocht aan 220 euro in januari 2028.
Indien 25 aandelen werden verkocht in februari 2028 en dit voor 200 euro/aandeel dan bedraagt de meerwaarde 850 euro =
10 x (200 – 100) + 15 x (200 - 210).
Voorbeeld 3:
Een belastingplichtige heeft 3 verschillende aankopen gedaan van eenzelfde financieel actief, nl.:
- 10 aandelen werden gekocht aan 100 euro in 2026;
- 20 aandelen werden gekocht aan 210 euro in 2027;
- 70 aandelen werden gekocht aan 200 euro in januari 2028.
Indien alle aandelen werden verkocht in februari 2028 en dit voor 200 euro/aandeel dan bedraagt de meerwaarde 800 euro =
10 x (200 – 100) + 20 x (200 - 210) + 70 x (200 – 200).
(88) Mondelinge parlementaire vraag nr. 56016881C. van Volksvertegenwoordiger Verkeyn , Parl. St. Kamer, CRABV 56 COM 390, blz. 28.
145. Het is belangrijk te benadrukken dat noch deze bepaling, noch enige andere bepaling binnen het stelsel van de belasting van meerwaarden op financiële activa een fictie creëert waarbij een verkoop na een gespreide aankoop (met toepassing van de FIFO-methode) fiscaal moet worden behandeld alsof er meerdere afzonderlijke overdrachten plaatsvinden. M.a.w., de verkoop blijft één enkele verrichting, met één enkel resultaat. In de hierboven vermelde voorbeelden gaat het dus niet om afzonderlijke verrichtingen, maar wel degelijk om één enkele verrichting.
146. Activa die worden overgedragen en waarvan de oorspronkelijke aanschaffingsdatum niet gekend is, zullen als laatst verworven beschouwd worden (datum overdracht).
147. De FIFO-methode kan enkel worden toegepast wanneer er sprake is van een gespreide aankoop van meerdere identieke financiële activa. Bij een gedeeltelijke afkoop van een verzekeringscontract is dat niet het geval: een verzekeringscontract vormt immers één financieel actief. Daarom wordt de FIFO-methode hier niet gebruikt. In deze situatie moet de meerwaarde proportioneel worden toegerekend aan het deel van het contract dat wordt afgekocht. Zo zal bij een afkoop van de helft van het verzekeringscontract ook de helft van de totale meerwaarde worden verwezenlijkt en belastbaar zijn binnen de meerwaardebelasting.
148. Art. 102, § 1, zesde lid, WIB 92 bevat een bepaling voor situaties waarin de aanschaffingswaarde van het financiële actief niet kan worden aangetoond. In dergelijke gevallen stemt de belastbare meerwaarde overeen met de ontvangen prijs of waarde. Dit betekent dat de aanschaffingswaarde van het financiële actief geacht wordt nul te bedragen. In dergelijke gevallen, waarin de aanschaffingswaarde niet gekend is, betreft de ontvangen prijs immers de enige prijs waarop een beroep gedaan kan worden.
149. Er moet worden benadrukt dat deze regel slechts in zeer uitzonderlijke situaties als ultimum remedium van toepassing zal zijn, in het bijzonder voor activa die na de datum waarop de meerwaardebelasting uitwerking heeft, dus na 31.12.2025, zijn verworven (89). Voor activa die vóór 01.01.2026 werden aangeschaft, kan de belastingplichtige in principe steeds terugvallen op de waarde op het fotomoment (zie randnummers 156 e.v.). In dat geval hoeft de belastingplichtige enkel aan te tonen dat het financieel actief reeds vóór 01.01.2026 in zijn bezit was. Het bewijs daarvan kan op alle mogelijke manieren (schriftelijk bewijs zoals akten, facturen, e-mails, foto’s met tijdsstempel, kranten, verzekeringsdocumenten, aangiften van nalatenschappen; getuigenverklaringen; bekentenissen van partijen; processen-verbaal van vaststelling door een deurwaarder; vermoedens) worden verstrekt, met uitzondering van de eed (90).
(89) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 183.
(90) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 186.
150. Art. 102, § 3, eerste lid, WIB 92 bepaalt de aanschaffingswaarde die moet worden gebruikt voor financiële activa wanneer een buitenlandse belastingplichtige – eigenaar of blote eigenaar van die financiële activa – naar België immigreert en die daardoor rijksinwoner wordt. Wanneer hij na zijn immigratie de financiële activa onder bezwarende titel overdraagt, wordt niet uitgegaan van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde. In plaats daarvan geldt als aanschaffingswaarde de waarde van het actief op de eerste dag waarop de belastingplichtige aan de personenbelasting wordt onderworpen.
Voor beursgenoteerde activa kan de beurskoers van het financieel actief op die dag gehanteerd worden. Voor niet-beursgenoteerde activa mag een beroep worden gedaan op alle bewijsmiddelen van het recht, behoudens de eed. De waarde die werd gehanteerd in een buitenlandse exit-heffing of in de Nederlandse conserverende aanslag kan dus dienen als bewijsmiddel om de waarde van deze activa aan te tonen. Het is niet verplicht om de waarderingsmethoden te gebruiken die vermeld staan in art. 102, § 4, tweede lid, 2°, WIB 92 (zie randnummer 158). Deze methoden zijn immers wettelijk gezien enkel van toepassing op de waardebepaling op het fotomoment van 31.12.2025. Ze mogen echter wel facultatief worden gebruikt (91).
(91) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 44 en 45.
151. Het voorgaande is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige zich bevindt in de situatie bedoeld in art. 413/1, § 6, zesde lid, 1°, WIB 92 (zie randnummer 229). Het gaat hier om het geval waarin een belastingplichtige België verlaat en binnen de 24 maanden opnieuw naar België terugkeert. Indien in dat kader een uitstel van betaling werd toegekend en de betalingsverplichting waarop dat uitstel betrekking heeft, vervalt bij de terugkeer, blijft voor de berekening van de meerwaarde de initiële aanschaffingswaarde behouden. Art. 102, § 3, tweede lid, WIB 92 beoogt immers te vermijden dat de financiële activa van een belastingplichtige die binnen 24 maanden naar België terugkeert, een nieuwe aanschaffingswaarde zouden krijgen. In dergelijke gevallen behoudt de belastingplichtige bijgevolg zijn initiële aanschaffingswaarde, alsof hij België nooit had verlaten.
Voorbeeld (zonder rekening te houden met eventuele vrijstellingen):
Een belastingplichtige koopt een aandeel voor 10 euro. Wanneer hij emigreert naar Spanje en daardoor zijn Belgisch rijksinwonerschap verliest, is dat aandeel 20 euro waard. In dat geval wordt een exit taks berekend op 10 euro (20 euro – 10 euro), waarvoor evenwel een automatisch uitstel van betaling toegepast wordt. Wanneer deze persoon 10 maanden later terugkeert naar België als fiscaal rijksinwoner dan zal op dat moment de betalingsverplichting van de exit taks vervallen. Het aandeel is dan 30 euro waard. Volgens de algemene regel van art. 102, § 3, WIB 92 zou de aanschaffingswaarde worden vastgesteld op 30 euro. Dit is immers de waarde op de eerste dag waarop de belastingplichtige (opnieuw) aan de personenbelasting wordt onderworpen. In afwijking van deze algemene regel wordt in deze specifieke situatie echter opnieuw uitgegaan van de initiële aanschaffingswaarde van 10 euro.
152. Op basis van art. 102, § 3, derde lid, WIB 92 mag in de hierboven beschreven situatie het bedrag van de initiële aanschaffingswaarde verhoogd worden met het bedrag dat in het buitenland als belastbare grondslag heeft gediend bij de effectieve heffing van een buitenlandse belasting die van gelijke aard is als de heffing bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92. Uiteraard is deze bepaling niet van toepassing indien de belastingplichtige op het ogenblik van zijn terugkeer naar België niet langer in het bezit is van de financiële activa. Bijgevolg kan deze bepaling alleen worden toegepast wanneer de belastingplichtige in het buitenland effectief werd onderworpen aan een belasting van dezelfde aard als die bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92, én zijn financiële activa niet heeft vervreemd (dit is het typische geval van een exit taks in het buitenland).
Voorbeeld (zonder rekening te houden met eventuele vrijstellingen):
Een belastingplichtige koopt een aandeel voor 10 euro. Wanneer hij emigreert naar Spanje en daardoor zijn Belgisch rijksinwonerschap verliest, is dat aandeel 20 euro waard. In dat geval wordt een exit taks berekend op 10 euro (20 euro – 10 euro), waarvoor evenwel een automatisch uitstel van betaling toegepast wordt. Wanneer deze persoon 10 maanden later terugkeert naar België als fiscaal rijksinwoner dan zal op dat moment de betalingsverplichting van de Belgische exit taks vervallen. Het aandeel is dan 35 euro waard. In het land van vertrek werd hij onderworpen aan buitenlandse exit–heffing op de latente meerwaarde van 15 euro (35 euro – 20 euro). In deze situatie wordt de aanschaffingswaarde van het aandeel bepaald op:
- de initiële aanschaffingswaarde van 10 euro
- verhoogd met de belastbare grondslag m.b.t. de buitenlandse heffing van 15 euro.
Bij een latere verkoop van het aandeel zal er dus rekening gehouden worden met een aanschaffingswaarde van 25 euro.
153. Art. 92, § 2, 1° en 2°, WIB 92 stelt twee situaties gelijk aan een overdracht onder bezwarende titel (zie randnummer 84). Voor de berekening van de meerwaarde bij het verlies van de hoedanigheid van rijksinwoner (art. 92, § 2, 2°, WIB 92) voorziet art. 102, § 2, WIB 92 in een specifieke berekeningsmethode aangepast aan die bijzondere situatie. Voor de berekening van de meerwaarde in het geval van een vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten en kapitalisatieverrichtingen (art. 92, § 2, 1°, WIB 92) werd art. 102/1, WIB 92 ingevoerd. Dit artikel wordt besproken onder randnummers 177 e.v..
154. In de situatie zoals bedoeld in art. 92, § 2, 2°, WIB 92 wordt de waarde van het financiële actief op het moment van het verlies van de hoedanigheid van rijksinwoner als de “ontvangen prijs” beschouwd. De ”ontvangen prijs” van de financiële activa in kwestie moet worden bepaald op het moment dat de belastingplichtige het land verlaat.
155. In principe wordt de exit taks berekend aan een tarief van 10 % (92). Wanneer de belastingplichtige echter op het ogenblik van het verlies van zijnhoedanigheid van rijksinwoner onder de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 valt (situatie van aanmerkelijk belang), dan wordt een ander tarief toegepast. In dat geval geldt het tarief dat normaal van toepassing is bij de overdracht van aandelen aan een koper die binnen de EER is gevestigd (1,25 % - 10 %). De belastingplichtige wordt dus belast aan het meest gunstige tarief. Een latere verkoop van de aandelen aan een koper buiten de EER heeft geen impact meer op het tarief dat voor de exit taks werd toegepast.
Ook de basisvrijstelling zal op eenzelfde manier bepaald worden. In principe kan de belastingplichtige dus gebruik maken van een vrijstelling van 10.000 euro (eventueel verhoogd met de aanvullende vrijstelling). Wanneer de belastingplichtige op emigratiedatum echter onder de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 valt, kan deze genieten van de vrijstelling van 1 miljoen euro (zie evenwel randnummer 51 i.v.m. belastbaar tijdperk dat niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar).
(92) Het regime van de interne meerwaarden is in dit geval nooit van toepassing (Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 191).
156. Het nieuwe regime van de meerwaardebelasting heeft uitwerking vanaf 01.01.2026. In lijn met het Regeerakkoord van 04.02.2025 worden de historische meerwaarden – d.w.z. de meerwaarden op financiële activa die nog niet werden verwezenlijkt op het moment van uitwerking van de nieuwe regeling – vrijgesteld. Daarom voorziet art. 102, § 4, WIB 92, in afwijking van de algemene regel vervat in art. 102, § 1, WIB 92, in een andere berekeningsmethode. Voor de berekening van de meerwaarde wordt niet uitgegaan van de (historische) aanschaffingswaarde, maar wel van de waarde van het financiële actief op 31.12.2025. Dat referentietijdstip wordt het “foto-moment” genoemd. Voor financiële activa verworven vóór 01.01.2026, stemt de meerwaarde dus overeen met het verschil tussen de verkoopprijs en de waarde van het actief op 31.12.2025.
Voorbeeld:
Een belastingplichtige verkoopt op 12.01.2026 een aandeel voor 150 euro. Dit aandeel werd in 2020 aangekocht voor 100 euro en had op 31.12.2025 een waarde van 120 euro. In dat geval zal de meerwaarde 30 euro bedragen. De historische meerwaarde ten belope van 20 euro wordt niet belast.
157. De meerwaarde wordt berekend als het positieve verschil tussen de ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde. Dat betekent dat er alleen sprake is van een meerwaarde wanneer de ontvangen prijs hoger is dan de aanschaffingswaarde. Is dat niet het geval, dan is er sprake van een minderwaarde. Voor financiële activa die vóór 01.01.2026 zijn aangekocht, wordt bij de beoordeling of er een meerwaarde bestaat altijd uitgegaan van de waarde op 31.12.2025. Wanneer een belastingplichtige een aandeel dat in 2020 werd aangekocht voor 100 euro, en waarvan de waarde op 31.12.2025 gelijk is aan 90, op 12.01.2026 voor 95 euro verkoopt, dan is er in beginsel sprake van een meerwaarde. Zie echter randnummers 167 e.v. om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een meerwaarde, en zo ja voor welk bedrag.
158. In het kader van de niet-belasting van de historische meerwaarden moet de belastingplichtige op 31.12.2025 de waarde van zijn financiële activabepalen. Art. 102, § 4, tweede lid, WIB 92 bepaalt hiervoor welke waarderingsmethodes moeten worden gevolgd om de waarde op 31.12.2025 te bepalen. Deze regels gelden echter niet voor de in art. 92, § 1, b), WIB 92 bedoelde verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen (zie randnummers 185e.v. voor de bespreking daarvan).
De waardebepaling is afhankelijk van het al dan niet genoteerde karakter van het actief.
- Voor financiële activa die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt (93), is de waarde van hetactief op 31.12.2025 gelijk aan de laatste slotkoers van het jaar 2025 (94). Indien er echter gedurende 2025 geen enkele transactie heeft plaatsgevonden dan kan er geen sprake zijn van een regelmatig werkende markt en zal er een beroep moeten worden gedaan op de hierna vermelde waarderingsmethodes (95).
- Voor financiële activa die niet genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt, wordt de hoogste van de volgende waarden genomen (96):
a) de waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel van dezelfde financiële activa tussen volstrekt onafhankelijke partijen (97) (waarmee verwezen wordt naar een “at arm’s length”-verrichting in de zin van de richtlijn inzake verrekenprijzen van de OESO), of naar aanleiding van de oprichting van de vennootschap of de laatste verhoging van haar kapitaal, die plaatsvond in de periode van 01.01.2025 tot en met 31.12.2025;
b) de waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contract of in een contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa dat in werking is op 01.01.2026;
c) m.b.t. aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten: het eigen vermogen verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan vier keer de EBITDA, bedoeld in art. 2759, § 2, derde lid, WIB 92 van het laatste boekjaar afgesloten vóór 01.01.2026. Indien de EBITDA negatief is, dan is de waarde gelijk aan het eigenvermogen
Voorbeeld:
Op 31.08.2025 vindt een verkoop tussen onafhankelijke partijen aan 115 euro per aandeel plaats.
Op 01.01.2025 is er een kapitaalverhoging aan 110 euro per aandeel.
Op 15.12.2025 verkoopt de werknemer, in het kader van een aandelenplan, aandelen aan 100 euro per aandeel. Voor de berekening van de verkoopprijs werd rekening gehouden met een formule die ook werd gebruikt bij de toekenning van de aandelen.
De vennootschap sluit haar jaarrekening af op 31.03.2025. Het eigen vermogen verhoogd met 4 keer de EBITDA bedraagt 80 euro per aandeel.
Voor de berekening van de meerwaardebelasting moet als waarde op 31.12.2025 de hoogste van voorgaande weerhouden worden, zijnde 115 euro.
(93) MTF´s of Multilateral Trading Facility in de zin van art. 3, 10°, van de wet van 21.11.2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU (BS: 07.12.2017 - Numac: 2017014203) worden ook beschouwd als regelmatig werkende markten. Overeenkomstig art. 3, § 4 van de wet van 25.10.2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies (BS 18.11.2016 – Numac: 2016003373), maakt de FSMA een lijst op van de Belgische marktondernemingen met aanduiding van de door hen geëxploiteerde MTF’s. Deze lijst en elke wijziging erin wordt bekend gemaakt op de website van de FSMA. Op het moment van opmaak van deze circulaire is er één Belgische marktonderneming actief, nl. Euronext Brussels NV, die de volgende MTF’sexploiteert: Alternext, Vrije markt/Marché Libre, Publieke Veilingen/Ventes Publiques en Trading facilities. De MTF Publieke veilingen/Ventes Publiques is beter bekend als Euronext Expert Market. De MTF Vrije Markt/Marché libre staat dan weer bekend onder de handelsnaam Euronext Access, en Alternext onder de handelsnaam Euronext Growth.
(94) Art. 102, § 4, tweede lid, 1°, WIB 92.
(95) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 12 en 13.
(96) Art. 102, § 4, tweede lid, 2°, WIB 92.
(97) Een transactie tussen onafhankelijke partijen die heeft plaatsgevonden in 2026 kan niet als referentiewaarde weerhouden worden voor het fotomoment(Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 16).
159. In afwijking van de forfaitaire waardering op basis van het eigen vermogen en de EBITDA (zie punt c) hiervoor), kan de waarde ook worden vastgesteld door een bedrijfsrevisor die niet de commissaris is, of door een gecertificeerd accountant. Wanneer deze personen als gebruikelijke beroepsbeoefenaar zouden optreden, komen zij niet in aanmerking om deze waardering uit te voeren. De waardering moet uiterlijk op 31.12.2027 worden uitgevoerd (98).
Voorbeeld:
Op 31.08.2025 vindt een verkoop tussen onafhankelijke partijen aan 115 euro per aandeel plaats.
Op 15.12.2025 verkoopt de werknemer, in het kader van een aandelenplan, aandelen aan 100 euro per aandeel. Voor de berekening van de verkoopprijs werd rekening gehouden met een formule die ook werd gebruikt bij de toekenning van de aandelen.
De vennootschap sluit haar jaarrekening af op 31.03.2025. Het eigen vermogen verhoogd met 4 keer de EBITDA bedraagt 85 euro per aandeel.
Voor de berekening van de meerwaardebelasting moet in principe als waarde op 31.12.2025 de hoogste van voorgaande weerhouden worden, zijnde 115 euro. Indien echter de belastingplichtige een waardering kan voorleggen die opgesteld is door een bedrijfsrevisor (die niet de gebruikelijke beroepsbeoefenaar is) en waarin dat aandeel wordt gewaardeerd op 120 euro, kan deze waarde van 120 euro per aandeel weerhouden worden.
Daarbij dient te worden opgemerkt dat, wanneer de vennootschap een beroep doet op accountantskantoor X, het bedrijfsrevisorenkantoor binnen dezelfde groep X zonder probleem een waarderingsverslag kan opstellen voor de bepaling van de waarde van een aandeel van de vennootschap op 31.12.2025, op voorwaarde dat dit bedrijfsrevisorenkantoor is ondergebracht in een afzonderlijke juridische entiteit (en voor zover uiteraard dit kantoor niet de gebruikelijke beroepsbeoefenaar is).
Wanneer aandeelhouders van een niet-beursgenoteerde vennootschap elk een ander waarderingsverslag voorleggen omdat zij afzonderlijk een beroep hebben gedaan op een andere gecertificeerd accountant en/of revisor, kunnen de waarderingen onderling verschillen. In die situatie zal de administratie geen keuze maken tussen de verschillende waarderingsverslagen (99). De administratie zal een waardering slechts in zeer uitzonderlijke gevallen betwisten, bijvoorbeeld wanneer zij gebaseerd is op valse of onjuiste stukken. Wanneer de waardering daarentegen steunt op methoden die binnen de sector als standaard worden beschouwd, is er in principe geen betwisting mogelijk.
(98) Art. 102, § 4, derde lid, WIB 92.
(99) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 14.
160. Ook wanneer de waarderingsmethoden vermeld onder randnummer 158 niet kunnen worden toegepast (100), kan de waarde worden vastgesteld door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant, op voorwaarde dat zij niet als gebruikelijke beroepsbeoefenaar zouden optreden. In dat geval moet de waardering eveneens uiterlijk op 31.12.2027 worden uitgevoerd. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij de waardering van een niet-beursgenoteerde obligatie, waardoor in de praktijk vaak uitsluitend een beroep kan worden gedaan op een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant om die obligatie te waarderen.
(100) Art. 102, § 4, derde lid, WIB 92.
161. Een belastingplichtige die een deelneming heeft in een niet-beursgenoteerde buitenlandse vennootschap kan ook de EBITDA-formule gebruiken. De bepalingen van art. 102, § 4, 2° WIB 92 maken geen onderscheid tussen Belgische en buitenlandse niet-beursgenoteerde vennootschappen. Desgevallend kan wel rekening worden gehouden met de buitenlandse boekhoudnormen om bijvoorbeeld de EBITDA te berekenen (101). Voor beurgenoteerde aandelen kan evenwel geen waardering plaatsvinden op basis van de EBITDA-formule.
(101) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 16.
162. Opgemerkt moet worden dat alle bovengenoemde waarderingsbeginselen ook van toepassing zijn op certificaten die in het bezit zijn van een belastingplichtige en die economische rechten op de onderliggende aandelen vertegenwoordigen, zoals het geval is bij Belgische private stichtingen of Nederlandse STAK's.
163. De bepalingen over het fotomoment zijn ook van toepassing op beleggingsgoud. Dit betekent dat voor beleggingsgoud dat vóór 01.01.2026 werd verworven, de waarde op het fotomoment in aanmerking wordt genomen. In overleg met de sector werd hiervoor een lijst opgesteld met de waarden van courant verhandeld beleggingsgoud op het fotomoment. Het ijkpunt is de waarde van een kilogram goud van 24 karaat op 31.12.2025 die werd gepubliceerd op de website van de Nationale Bank van België namelijk, nl. 117.910,00 euro (102). Deze lijst is opgenomen in bijlage I van deze circulaire.
(102) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 186.
164. De belastingplichtige is volledig vrij in zijn bewijsvoering voor het bepalen van de waarde op basis van de koers van de crypto-activa op het fotomoment. Een screenshot van de trading-applicatie kan voldoende zijn. Het is niet vereist om een gemiddelde te berekenen op basis van alle beurzen waarop het betrokken cryptoactivum wordt verhandeld om de waarde op 31.12.2025 te bepalen. Voor de uiterst uitzonderlijke situaties waarin voor cryptoactiva die onder het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen geen waarde beschikbaar is op het fotomoment, kan toepassing worden gemaakt van art. 102, § 4, derde lid, WIB 92. In dat geval kan een bedrijfsrevisor of accountant een waardering uitvoeren. M.b.t. cryptoactiva die op het fotomoment geen marktwaarde zouden hebben, is het raadzaam na te gaan of het al dan niet om een NFT gaat die niet voor betalings- of investeringsdoeleinden wordt gebruikt. Dergelijke NFT’s worden namelijk niet als financieel actief beschouwd en vallen derhalve niet binnen het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting (zie randnummer 80) (103).
(103) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 7
165. Voor de aandelen die werden verkregen bij de inbreng van aandelen zoals bedoeld in art. 95, WIB 92 en art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92, geldt de vrijstelling van de historische meerwaarde eveneens (104).
In art. 95, vierde lid, WIB 92 staat expliciet dat rekening moet worden gehouden met de waarde van de aandelen op 31.12.2025. Dit art. verwijst namelijk naar de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk aangehouden aandelen”, met als bijkomende voorwaarde dat deze waarde “niet lager mag zijn dan de waarde op 31.12.2025, vastgesteld overeenkomstig art. 102, § 4, WIB 92.
In art. 96/2, eerste lid, 4° WIB 92 gebeurt deze verwijzing naar het fotomoment impliciet. De nieuwe aandelen die worden aangehouden ingevolge een inbreng moeten immers worden gewaardeerd op basis van de waarde van de oorspronkelijk ingebrachte aandelen. Door dit gelijkstellingsprincipe wordt de waarde op 31.12.2025 dus mee overgenomen. Bij een latere verkoop van de nieuwe aandelen zal daarom ook voor deze aandelen het fotomoment worden toegepast, aangezien de nieuwe aandelen fiscaal worden gelijkgesteld met de oorspronkelijke aandelen die de belastingplichtige reeds vóór 01.01.2026 aanhield.
Voorbeeld:
Een belastingplichtige heeft in 2024 100 aandelen A aangekocht voor 20.000 euro (zijnde 200 euro per aandeel). Op 31.12.2025 bedraagt de waarde van een aandeel A 210 euro. In juni 2026 ontvangt de belastingplichtige 20 aandelen B na de inbreng van de aandelen A in vennootschap B. Op dat ogenblik bedraagt de waarde van een aandeel A 220 euro. In 2027 verkoopt de belastingplichtige zijn aandelen B tegen een prijs van 1.120 euro per aandeel.
Op basis van art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92 wordt de verwezenlijkte meerwaarde op het moment van de inbreng van de aandelen A vrijgesteld van meerwaardebelasting. De meerwaarde verwezenlijkt ingevolge de verkoop van de aandelen B in 2027 bedraagt 1.400 euro (zijnde 22.400 euro – 21.000 euro). Daarbij wordt rekening gehouden met de waarde van de oorspronkelijk aangehouden aandelen A op het fotomoment.
(104) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 13.
166. Voor de waardebepaling op het fotomoment van een portefeuille met een belegging in vreemde valuta is vastgesteld dat financiële instellingen niet altijd hetzelfde tijdstip hanteren om de referentiewisselkoers te bepalen (met verschillen van meerdere uren). De belastingplichtige mag steeds rekening houden met de slotkoers zoals bepaald door zijn eigen financiële instelling, die terug te vinden is in de bank-app of in de door die financiële instelling aangeleverde documenten (105).
(105) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 14.
167. Voor overdrachten die plaatsvinden tot en met 31.12.2030 en betrekking hebben op financiële activa die vóór 01.01.2026 zijn verworven, kan de belastingplichtige op verzoek ervoor kiezen om de meerwaarde te berekenen op basis van de werkelijke aanschaffingswaarde. In dat geval moet geen rekening worden gehouden met de waarde op het foto-moment (106). De belastingplichtige moet de werkelijke aanschaffingswaarde echter zelf kunnen aantonen; de bewijslast rust volledig bij hem. Belangrijk daarbij is dat een hoger aangetoonde aanschaffingswaarde niet kan leiden tot een minderwaarde. Zij kan er enkel toe leiden dat de meerwaarde tot nul wordt herleid (107).
(106) Art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92.
(107) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 187.
Voorbeeld 1
Belastingplichtige heeft in 2013 ingetekend op de beursgang van ACo aan een bedrag van 14,50 euro. Op 31.12.2025 is het aandeel van ACo 5 euro waard. Op 07.12.2029 besluit de belastingplichtige het aandeel te verkopen voor 13,50 euro. Omdat men in deze situatie rekening mag houden met de historische aanschaffingsprijs, heeft de belastingplichtige geen belaste meerwaarde verwezenlijkt, maar ook geen minderwaarde.
Voorbeeld 2
Belastingplichtige heeft in 2013 ingetekend op de beursgang van ACo aan een bedrag van 14,50 euro. Op 31.12.2025 is het aandeel van ACo 5 euro waard. Op 07.12.2031 besluit de belastingplichtige het aandeel te verkopen voor 13,50 euro. Omdat men in deze situatie geen rekening meer mag houden met de historische aanschaffingswaarde (overdracht > 31.12.2030) is de meerwaarde 8,50 euro.
Voorbeeld 3
Een belastingplichtige heeft in 2024 100 aandelen A aangekocht voor 22.000 euro (zijnde 220 euro per aandeel). Op 31.12.2025 bedraagt de waarde van een aandeel A 210 euro. In juni 2026 ontvangt de belastingplichtige 20 aandelen B na de inbreng van de aandelen A in vennootschap B. Op dat ogenblik bedraagt de waarde van een aandeel A 220 euro. In 2027 verkoopt de belastingplichtige zijn aandelen B tegen een prijs van 1.120 euro per aandeel.
Op basis van art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92 wordt de verwezenlijkte meerwaarde op het moment van de inbreng van de aandelen A vrijgesteld van meerwaardebelasting. De meerwaarde verwezenlijkt ingevolge de verkoop van de aandelen B in 2027 bedraagt in principe 1.400 euro (zijnde 22.400 euro – 21.000 euro) en dit rekening houdend met de waarde van de oorspronkelijk aangehouden aandelen A op het fotomoment. Op verzoek van de belastingplichtige kan er echter wel rekening gehouden worden met de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk aangehouden aandelen A, nl. 22.000 euro. De meerwaarde kan op basis van het verzoek bepaald worden op 400 euro (zijnde 22.400 euro – 22.000 euro).
168. Wanneer de belastingplichtige verzoekt om rekening te houden met de oorspronkelijke aanschaffingswaarde wordt, in afwijking van art. 102, § 1, vierde lid, WIB 92 (FIFO-methode bij identieke financiële activa), de meerwaarde berekend op basis van de gemiddelde aankoopwaarde per financieel actief dat door de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger werd aangehouden vóór 31.12.2025. Om de hogere historische aanschaffingswaarde te bepalen en te bewijzen, kan de belastingplichtige zich baseren op de financiële reporting die door zijn of haar financiële instelling wordt aangeleverd. Daarbij kan uiteraard enkel rekening worden gehouden met de effecten die op 31.12.2025 nog in de effectenportefeuille aanwezig zijn.
169. Het is eveneens belangrijk om de wisselwerking tussen art. 102, § 3, WIB 92 (immigratie) en art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92 te verduidelijken. Dit wordt uiteengezet aan de hand van volgende voorbeelden:
- Een niet-inwoner heeft in 2024 financiële activa aangekocht voor een waarde van 80 euro. Hij wordt rijksinwoner in 2026 en zijn activa hebben intussen een waarde van 100 euro. Op 31.12.2025 hadden diezelfde activa een waarde van 90 euro. De belastingplichtige verkoopt deze activa in 2027 aan een prijs van 95 euro. In dit geval bepaalt art. 102, § 3, eerste lid, WIB 92, dat de aanschaffingswaarde die in aanmerking moet worden genomen de waarde is op het moment van de onderwerping aan de personenbelasting, dit wil zeggen 100 euro. Bij de verkoop in 2027 van de activa tegen prijs van 95 euro verwezenlijkt de belastingplichtige geen meerwaarde.
- Een niet-inwoner heeft in 2024 identieke aandelen gekocht voor een waarde van 100 euro/aandeel. Hij wordt rijksinwoner in 2026 en zijn aandelen hebben intussen een waarde van 90 euro/aandeel. Op 31.12.2025 hadden diezelfde aandelen een waarde van 80 euro/aandeel. De belastingplichtige verkoopt zijn aandelen in 2027 aan een prijs van 95 euro/aandeel. In dit geval bepaalt art. 102, § 3, eerste lid, WIB 92, dat de aanschaffingswaarde die in aanmerking moet worden genomen de waarde is op het moment van onderwerping aan de personenbelasting, zijnde 90 euro/aandeel. Indien de belastingplichtige zijn activa verkoopt aan een prijs van 95 euro/aandeel, verwezenlijkt hij dus een meerwaarde van 5 euro/aandeel. De belastingplichtige zou echter kunnen vragen dat de meerwaarde zou berekend worden met toepassing van art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92. In dat geval zou de meerwaarde berekend worden rekening houdende met de gemiddelde aankoopwaarde van de aandelen die de belastingplichtige aanhield vóór 31.12.2025, nl, 100 euro/aandeel In dat geval is er geen meerwaarde. Er is ook geen minderwaarde en dit in toepassing van artikel 102, § 5, derde lid, WIB 92 (zie randnummers 176 e.v.).
170. Feiten: X bezit een aandelenparticipatie van 10 % in vennootschap A, verworven in 2015 bij de oprichting van die vennootschap. Het gestort kapitaal van A bedroeg bij oprichting 100.000 euro. Op 31.12.2025 bedraagt de waarde van zijn participatie in A 30.000 euro. In 2027 brengt X zijn aandelen A in in de bestaande vennootschap B. In ruil voor deze inbreng verkrijgt hij een participatie van 2 % in B, met een waarde van 40.000 euro. In 2030 trekt hij zich terug uit vennootschap B en verkoopt zijn participatie voor 110.000 euro.
Oplossing: Op het moment van de inbreng van de aandelen A in vennootschap B kan X genieten van de vrijstelling voorzien in art. 96/2, eerste lid, 4°, WIB 92. Er is dus geen belastbare inbrengmeerwaarde in 2027. Bij de verkoop van de aandelen van vennootschap B in 2030 verwezenlijkt X een meerwaarde van 80.000 euro die als volgt wordt berekend: 110.000 euro (verkoopprijs) – 30.000 euro (waarde van de aandelen in A d.d. 31.12.2025 in toepassing van art. 102, § 1, derde lid, d) en § 4, eerste lid, WIB 92). X kan weliswaar nog genieten van een vrijstelling zoals bepaald in art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92. Het resterend bedrag na toepassing van de vrijstelling zal worden belast aan 10 %.
171. Het algemene principe voor de bepaling van een meerwaarde bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 gaat uit van het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde van het financiële actief. Het is niet mogelijk om kosten of belastingen in mindering te brengen van de ontvangen prijs voor de berekening van de belastbare meerwaarde. Het is echter wel mogelijk om minderwaarden af te trekken van de verwezenlijkte meerwaarden.
172. Een minderwaarde is het negatieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde voor zover deze wordt bewezen door de belastingplichtige (108).
(108) Art. 102, § 5, tweede lid, WIB 92.
173. De minderwaarden die in mindering kunnen worden gebracht, hebben uitsluitend betrekking op financiële activa zoals bedoeld in de art. 90, eerste lid, 9°, a), b) of c), WIB 92. De belastingplichtige moet zowel het bestaan als het bedrag van de minderwaarde aantonen, en dit met alle door het gemeen rechttoegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
174. Deze minderwaarden kunnen slechts worden afgetrokken indien zij aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De minderwaarden moeten worden verwezenlijkt:
1) in de loop van hetzelfde belastbare tijdperk,
2) door dezelfde belastingplichtige, en
3) binnen dezelfde categorie van financiële activa als bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92.
Minderwaarden die worden verwezenlijkt op financiële activa zoals bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92, kunnen enkel worden verrekend met meerwaarden die onder dezelfde bepaling vallen. Dit houdt in dat een belastingplichtige een verlies op een verzekeringsproduct kan compenseren met een winst op een bancair product, op voorwaarde dat beide verrichtingen plaatsvinden binnen hetzelfde belastbare tijdperk. Op dezelfde manier kunnen minderwaarden verwezenlijkt op cryptoactiva worden verrekend met een verwezenlijkte meerwaarde op bijvoorbeeld een aandeel op Euronext, zolang beide overdrachten tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk en door dezelfde belastingplichtige worden verwezenlijkt (109).
(109) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 179.
175. Wanneer een belastingplichtige tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk meerwaarden verwezenlijkt die onder de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 (= aanmerkelijk belang – type B) vallen – en dit naar aanleiding van verschillende overdrachten van aandelen, zowel binnen als buiten de EER – dan mag een minderwaarde binnen diezelfde categorie worden aangerekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige manier. Concreet betekent dit dat een minderwaarde verwezenlijkt bij de verkoop van een aandelenbelang aan een in de EER gevestigde koper, kan worden verrekend met een meerwaarde verwezenlijkt bij de verkoop van een aandelenbelang aan een buiten de EER gevestigde koper (tarief 16,5%). Dit geldt zelfs wanneer de belastingplichtige tijdens datzelfde belastbaar tijdperk ook een meerwaarde heeft verwezenlijkt bij de verkoop van een aandelenbelang aan een in de EER gevestigde koper, waarop een lager tarief van 1,25 % tot 10 % van toepassing is.
176. Voor financiële activa verkregen vóór 01.01.2026 is in toepassing van art. 102, § 5, derde lid, WIB 92 de minderwaarde het negatieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de waarde van deze financiële activa op 31.12.2025. Er wordt dus vertrokken van het “fotomoment” om de minderwaarde te berekenen. Dit principe wordt verduidelijkt aan de hand van de volgende voorbeelden:
Voorbeeld 1
X heeft op 03.04.2025 100.000 aandelen aangekocht van vennootschap A tegen 1,38 euro per aandeel. De slotkoers van vennootschap A op het fotomoment bedroeg 2,05 euro per aandeel. Wanneer X deze aandelen eind 2026 verkoopt aan 1,95 euro, ontstaat er een economische meerwaarde van 57.000 euro. Dat bedrag komt voort uit het verschil tussen de verkoopwaarde (195.000 euro) en de aankoopwaarde (138.000 euro). De fiscale meerwaarde wordt echter bepaald op basis van de waarde op het fotomoment. Vanuit dat fiscaal perspectief ontstaat er een minderwaarde van 10.000 euro omdat de waarde op het fotomoment (205.000 euro) hoger ligt dan de uiteindelijke verkoopprijs (195.000 euro). Hoewel X economisch gezien een meerwaarde realiseert, leidt de fiscale berekening op basis van het fotomoment tot een minderwaarde, wat in dit geval voordelig is voor de belastingplichtige.
Voorbeeld 2
Financiële activa aangekocht vóór 01.01.2026.
Situatie 1:
a) Meerwaarde = 400 (toepassing art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92)
b) Meerwaarde = 500 (toepassing art. 102, § 4, eerste lid, WIB 92)
Situatie 2:
a) Geen meerwaarde (toepassing art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92) – geen minderwaarde (toepassing art. 102, § 5, derde lid, WIB 92)
b) Meerwaarde = 500 (toepassing art. 102, § 4, eerste lid, WIB 92)
Situatie 3:
a) Minderwaarde = 400 (toepassing art. 102, § 5, derde lid, WIB 92)
b) Minderwaarde = 400 (toepassing art. 102, § 5, derde lid, WIB 92)
Situatie 4:
a) Minderwaarde = 500 (toepassing art. 102, § 5, derde lid, WIB 92)
b) Minderwaarde = 500 (toepassing art. 102, § 5, derde lid, WIB 92)
Voorbeeld 3
Een belastingplichtige koopt via zijn effectenrekening in totaal 100 identieke aandelen, gespreid over drie momenten:
Op 31.12.2025 bedraagt de waarde van het aandeel 200 euro.
De gemiddelde aankoopwaarde van deze aandelen die de belastingplichtige aanhield vóór 31.12.2025 bedraagt 208 euro/aandeel, nl. [(10 x 100) + (20 x 150) + (70 x 240)] / 100.
De belastingplichtige verkoopt vervolgens de aandelen in drie fasen:
Verkoop 2029:
Rekening houdend met de waarde op 31.12.2025 verwezenlijkt de belastingplichtige een minderwaarde van 10 euro/aandeel of in totaal een minderwaarde van 500 euro voor de volledige verrichting. De minderwaarde wordt in toepassing van art. 102, § 5, derde lid, WIB 92 bepaald rekening houdend met de waarde op 31.12.2025. Er wordt niet teruggegrepen naar de oorspronkelijke aanschaffingswaarde.
Verkoop 2030:
Rekening houdend met de waarde op 31.12.2025 verwezenlijkt de belastingplichtige een meerwaarde van 10 euro/aandeel of in totaal 250 euro voor de volledige verrichting. De belastingplichtige kan een correctie vragen op basis van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde. Krachtens art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92 zal de oorspronkelijke aanschaffingswaarde echter bepaald worden op basis van de gemiddelde aankoopwaarde per aandeel dat de belastingplichtige aanhield vóór 31.12.2025. Deze waarde bedraagt 208 euro/aandeel. Dit bedrag is hoger dan de waarde van het aandeel op 31.12.2025. Het is dus voor de belastingplichtige nuttig om deze waarde in te roepen. Rekening houdend met deze waarde bedraagt de meerwaarde 2 euro per aandeel of in totaal 50 euro voor de volledige verrichting.
Verkoop 2031:
Rekening houdend met de waarde op 31.12.2025 verwezenlijkt de belastingplichtige een meerwaarde van 5 euro/aandeel of in totaal 125 euro voor de volledige verrichting. We grijpen niet meer terug naar de initiële aanschaffingswaarde (= gemiddelde aankoopwaarde) en dit omdat de verkoop heeft plaatsgevonden na 31.12.2030.
Voorbeeld 4
Een belastingplichtige voert op zijn effectenrekening 4 aankopen uit van een identiek financieel actief, gespreid over de volgende momenten:
Op 31.12.2025 bedraagt de waarde van het aandeel 200 euro.
De gemiddelde aankoopwaarde van deze aandelen die de belastingplichtige aanhield vóór 31.12.2025 bedraagt 141,67 euro/aandeel, nl. [(10 x 100) + (50 x 150)] / 60.
De belastingplichtige verkoopt vervolgens de aandelen in drie fasen:
Analyse per verkoop:
Verkoop 2029:
Voor de berekening van de meer- of minderwaarde gaan we er steeds vanuit dat de eerst verworven aandelen ook als eerste verkocht worden. Bij de verkoop in 2029 gaan we er dus vanuit dat er aandelen werden verkocht die aangehouden werden op 31.12.2025. Rekening houdend met de waarde op 31.12.2025 verwezenlijkt de belastingplichtige een minderwaarde van 10 euro/aandeel of in totaal 500 euro voor de volledige verrichting. De minderwaarde wordt in toepassing van art. 102, § 5, derde lid, WIB 92 bepaald rekening houdend met de waarde op 31.12.2025. Er wordt niet teruggegrepen naar de oorspronkelijke aanschaffingswaarde.
Verkoop 2030:
Bij de verkoop in 2030 gaan we er vanuit dat er nog 10 aandelen worden verkocht die aangehouden werden op 31.12.2025. Rekening houdend met de waarde op 31.12.2025 verwezenlijkt de belastingplichtige over deze aandelen een meerwaarde van 10 euro/aandeel of in totaal 100 euro over de volledige verrichting. De belastingplichtige kan een correctie vragen op basis van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde. Op basis van art. 102, § 4, vierde lid, WIB 92 zal de oorspronkelijke aanschaffingswaarde echter bepaald worden op basis van de gemiddelde aankoopwaarde per aandeel dat de belastingplichtige aanhield vóór 31.12.2025. Deze waarde bedraagt 141,67 euro/aandeel. Dit bedrag is lager dan de waarde van het aandeel op 31.12.2025. Het is dus voor de belastingplichtige niet nuttig om deze waarde in te roepen.
De overige 5 aandelen die nog worden verkocht in 2030 beschouwen we als aandelen aangekocht na 01.01.2026. Ter bepaling van de meer- of minderwaarde gaan we terug naar de aanschaffingswaarde van de eerst aangekochte aandelen (FIFO dus aanschaffingswaarde d.d. februari 2026). De meerwaarde bedraagt 150 euro, nl. [(210 - 180) x 5].
Totale meerwaarde verwezenlijkt in 2030 bedraagt 250 euro.
Verkoop 2031:
De verkochte aandelen beschouwen we als aandelen aangekocht na 01.01.2026.Ter bepaling van de meer- of minderwaarde gaan we terug naar de aanschaffingswaarde van de eerst aangekochte aandelen. We grijpen terug naar de aanschaffingswaarde d.d. februari 2026 (FIFO) – resterend aantal van 30 aandelen. De meerwaarde bedraagt 750 euro, nl. [(205 euro – 180 euro) x 30].
Voor 5 aandelen grijpen we terug naar de aanschaffingswaarde d.d. januari 2027 (FIFO). De minderwaarde bedraagt 25 euro, nl. [(205 euro – 210 euro) x 5].
De financiële instelling waarbij de effectenrekening wordt aangehouden, zal voor het belastbaar tijdperk 2031 als totale meerwaarde op de effectenrekening een bedrag van 725 euro meedelen.
Voorbeeld 5
Een belastingplichtige koopt in totaal 100 identieke aandelen via diens effectenrekening, gespreid over vier momenten:
Op 31.12.2025 bedraagt de waarde van het aandeel 150 euro.
De belastingplichtige verkoopt in februari 2028 alle aandelen aan 205 euro/aandeel. De meerwaarde bedraagt 1.900 euro = [(205 – 150) x 10] + [(205 – 140) x 20] + [(205 – 200) x 60] + [(205 – 210) x 50].
177. Art. 102/1, WIB 92 werd specifiek ingevoerd voor de berekening van de meerwaarden op financiële activa die onder het toepassingsgebied vallen van art. 92, § 1, b), WIB 92 (verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen). Dit art. vormt een lex specialis en krijgt daardoor voorrang op de algemene regels. Wanneer art. 102/1, WIB 92, geen bijzondere bepaling bevat voor de berekening van meer- of minderwaarden op verzekeringsproducten, blijven de bepalingen van art. 102, WIB 92 van toepassing, zoals die in principe voor alle financiële activa gelden die onder het regime van de meerwaardebelasting vallen.
178. Voor financiële activa die onder het toepassingsgebied vallen van art. 92, § 1, b), WIB 92 (verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen) wordt de meerwaarde bepaald als het positieve verschil tussen:
- de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden en
- het totaal van de gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht (110).
(110) Art. 102/1, § 1, eerste lid, WIB 92.
179. Bij een levensverzekering is het doorgaans mogelijk om een gedeelte van de opgebouwde reserve vervroegd op te nemen, eventueel zelfs op verschillende momenten volgens een vast ritme. Verzekeringstechnisch zijn dat partiële afkopen. Om te bepalen of een meerwaarde werd verwezenlijkt bij een dergelijke partiële afkoop, dient het totaal van de gestorte premies beperkt te worden tot dat deel van de premies waarmee het afgekocht bedrag werd gefinancierd. Dit gebeurt via een proportionele berekeningsmethode waarbij het totaal van de gestorte premies wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen het afgekochte bedrag en de volledige afkoopwaarde van de verzekering (111).
(111) Totaal van de gestorte premies x (afgekocht bedrag/volledige afkoopwaarde).
180. Wanneer de hiervoor bedoelde bedragen zijn uitgedrukt in vreemde valuta, moeten zij worden omgerekend naar euro tegen de wisselkoers op het moment van betaling van de premies en van de uitkeringen van de kapitalen en afkoopwaarden (112).
(112) Art. 102/1, § 1, tweede lid, WIB 92.
181. Wanneer het bedrag van de gestorte premies niet kan worden aangetoond, stemt de belastbare meerwaarde overeen met de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden (113). Dit betekent dat het totaal van de premies geacht wordt nul te bedragen. In dergelijke gevallen, waarin de premies niet gekend zijn, betreft de kapitaaluitkering of de uitkering van de afkoopwaarde de enige waarde waarop de berekening kan steunen.
(113) Art. 102/1, § 1, derde lid, WIB 92.
182. Wanneer een belastingplichtige niet-rijksinwoner die rechthebbende is op een levensverzekeringsovereenkomst die onder art. 92, § 1, b), WIB 92 valt, naar België immigreert en vervolgens een uitkering uit deze overeenkomst ontvangt op een moment waarop hij rijksinwoner is, wordt de meerwaarde berekend als het positieve verschil tussen:
- de uitgekeerde kapitalen of afkoopwaarden en
- de inventarisreserve op de eerste dag waarop de belastingplichtige onderworpen wordt aan de personenbelasting vermeerderd met het totaal van de vanaf die dag gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht (114).
Het gaat daarbij om de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28 van het KB van 14.11.2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit (BS 14.11.2003 – Numac: 2003023014) (hierna KB 14.11.2003) of gedefinieerd door vergelijkbare bepalingen onder buitenlands recht.
(114) Art. 102/1, § 2, WIB 92.
183. Het voorgaande geldt niet wanneer de belastingplichtige zich bevindt in de situatie bedoeld in art. 413/1, § 6, zesde lid, 1°, WIB 92 (zie randnummer 229). Het gaat hier om het geval waarin een belastingplichtige België verlaat en binnen de 24 maanden opnieuw naar België terugkeert. Indien in dat kader een uitstel van betaling werd toegekend en de betalingsverplichting waarop dat uitstel betrekking heeft, vervalt bij de terugkeer, wordt voor de berekening van de meerwaarde het bedrag van de gestorte premies bepaald alsof de belastingplichtige België nooit heeft verlaten (115).
In deze situatie mag het bedrag van de gestorte premies wel nog worden verhoogd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend bij de effectieve heffing van een buitenlandse belasting die van gelijke aard is als de heffing bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 (dit is het typische geval van een exit taks in het buitenland) (116).
(115) Art. 102/1, § 3, derde lid, WIB 92.
(116) Art. 102/1, § 3, vierde lid, WIB 92.
184. In de situatie zoals bedoeld in art. 92, § 2, 2°, WIB 92 – verlies van de hoedanigheid van rijksinwoner – wordt de meerwaarde van een financieel actief dat onder de toepassing valt van art. 92, § 1, b), WIB 92 (verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen) in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen:
- de inventarisreserve op het moment van verlies van rijksinwonerschap en
- het totaal van de gestorte premies op het moment van verlies van rijksinwonerschap in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht (117).
Het begrip “inventarisreserve” verwijst naar de definitie opgenomen in bijlage 2, punt 28 van het KB 14.11.2003 of naar gelijkaardige bepalingen onder buitenlands recht.
(117) Art. 102/1, § 3, eerste en tweede lid, WIB 92.
185. Voor verzekeringsovereenkomsten aangegaan vóór 01.01.2026 komt de meerwaarde overeen met het positieve verschil tussen
- uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden en
- de inventarisreserve op 31.12.2025, in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde opgebouwd door de premies gestort tot 31.12.2025 niet reeds is afgekocht na 31.12.2025, verhoogd met de premies die vanaf 01.01.2026 zijn gestort, opnieuw in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht (118).
(118) Art. 102/1, § 4, eerste en tweede lid, WIB 92.
186. Indien de belastingplichtige zijn verzekeringscontract dus gedeeltelijk afkoopt na 31.12.2025, dient de inventarisreserve op 31.12.2025 proportioneel verminderd te worden zodat de verwezenlijkte meerwaarden correct berekend kunnen worden.
187. Het is niet uitgesloten dat de inventarisreserve op 31.12.2025 lager is dan het totaal van de tot die datum gestorte premies. Dat kan bijvoorbeeld te wijten zijn aan een waardedaling van het beleggingsfonds in een tak 23-verzekering. Daarom krijgen belastingplichtigen de mogelijkheid om – voor vereffeningen tot en met 31.12.2030 van verzekeringscontracten die vóór 01.01.2026 zijn gesloten – aan te tonen dat de werkelijk verwezenlijkte meerwaarde lager was. In dat geval mag het totaal van de tot 31.12.2025 gestorte premies zoals aangetoond door de belastingplichtige, in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht, als berekeningsbasis worden gebruikt i.p.v. de inventarisreserve op 31.12.2025 (119).
(119) Art. 102/1, § 4, derde lid, WIB 92.
188. Art. 102/1, § 5, WIB 92 voorziet in een aparte regeling voor de bepaling van minderwaarden in het geval van een verzekeringsovereenkomst of kapitalisatieverrichting. De minderwaarde wordt daarbij gedefinieerd als het negatieve verschil tussen:
- het uitgekeerde kapitaal of afkoopwaarde en
- de aanschaffingswaarde voor zover deze wordt bewezen door de belastingplichtige op basis van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen het totaal van de gestorte premies. Om rekening te houden met eventuele voorafgaandelijke partiële afkopen, dient alleen dat deel van de premies in aanmerking te worden genomen dat evenredig is aan dat deel van de afkoopwaarde dat vereffend wordt.
189. Voor verzekeringsovereenkomsten die vóór 01.01.2026 zijn gesloten, is de aanschaffingswaarde gelijk aan de inventarisreserve op 31.12.2025 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde opgebouwd door de premies gestort tot 31.12.2025 niet reeds is afgekocht na 31.12.2025. De inventarisreserve wordt verhoogd met de premies die vanaf 01.01.2026 zijn gestort, opnieuw in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
190. Art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 werd toegevoegd aan de opsomming in de aanvangszin van art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92. Daarmee wordt bevestigd dat naast het reeds bestaande regime – waarin meerwaarden op financiële activa als diverse inkomsten worden belast wanneer ze worden verwezenlijkt los vaneen beroepswerkzaamheid, buiten het normale beheer van het privévermogen of door speculatie – nu ook een bijkomende afzonderlijke grondslag voor meerwaardebelasting bestaat.
191. Wanneer de verwezenlijking van financiële activa buiten de beroepswerkzaamheden van de belastingplichtige plaatsvindt, kan de belastingplichtige in principe onder één van de twee fiscale regimes binnen de diverse inkomsten vallen:
- de belastingplichtige zal belast worden onder het regime van de meerwaardebelasting wanneer de verwezenlijking van de meerwaarde op financiële activa binnen het normale beheer van het privévermogen valt en geen speculatieve handeling betreft;
- de belastingplichtige zal belast worden aan een tarief van 33 % (te verhogen met gemeentelijke opcentiemen) (120) wanneer de verwezenlijking van de meerwaarde op financiële activa niet kadert binnen het normale beheer van het privévermogen of een speculatieve handeling uitmaakt.
(120) Art. 171, 1°, a), WIB 92 en art. 466, eerste lid, WIB 92.
192. Wanneer een belastingplichtige in zijn aangifte een meerwaarde op financiële activa opneemt onder het regime van de meerwaardebelasting, wordt die aangifte in beginsel geacht correct te zijn. Dit vermoeden van juistheid is verankerd in art. 339, WIB 92, dat bepaalt dat de administratie de aangifte, de aangegeven inkomsten en de overige verstrekte gegevens als belastinggrondslag neemt.
Enkel wanneer de administratie van oordeel is dat er sprake is van abnormaal beheer of speculatie, zal de aangifte gewijzigd worden. Op te merken is dat de bewijslast die aan de basis ligt van deze wijziging rust op de administratie
Het uitgangspunt is dat een meerwaarde die wordt verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel van een financieel actief onder het regime van de meerwaardebelasting valt. De toepassing van art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92 wegens abnormaal beheer of een speculatieve handeling vormt een afwijking van dit basisprincipe en vergt bijkomend bewijs door de administratie.
Of een meerwaarde effectief onder art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92 valt, blijft evenwel een feitenkwestie. Het abnormale of speculatieve karakter van de verrichting moet telkens worden beoordeeld in functie van wat een normaal omzichtig persoon in gelijkaardige omstandigheden zou doen bij het beheer van zijn privévermogen.
Het voorgaande geldt eveneens voor meerwaarden verwezenlijkt op cryptoactiva (121). Voor meerwaarden verwezenlijkt op cryptoactiva buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid kan voor de beoordeling van het abnormale of speculatieve onder meer rekening worden gehouden met de volgende factoren:
- het aandeel van het totale financiële vermogen dat in cryptoactiva wordt geïnvesteerd,
- het al dan niet gebruikmaken van financiering voor de aankoop ervan,
- het gebruik van geautomatiseerde processen of software voor de aan- en verkoop van cryptoactiva (122).
Deze elementen moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Het is de combinatie van meerdere factoren, en niet één afzonderlijk criterium, die kan leiden tot de conclusie dat sprake is van het abnormale of speculatieve karakter van de verrichting.
(121) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 5 en 6.
(122) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 194 en 195.
193. Wanneer een belastingplichtige een meerwaarde verwezenlijkt op activa die niet onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen (zoals bijvoorbeeld (digitale) kunstvoorwerpen), kan die meerwaarde enkel als een divers inkomen worden belast wanneer de verwezenlijking buiten het normale beheer van het privévermogen valt of een speculatieve handeling uitmaakt. Dat normale beheer heeft betrekking op het geheel van onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen waaruit het privévermogen van de belastingplichtige bestaat.
194. Daarnaast wordt benadrukt dat speculatie op cryptoactiva die niet vallen onder de definitie in randnummers 77 e.v. (123) nog steeds onder het toepassingsgebied van art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92 valt, voor zover de verrichting niet wordt beschouwd als het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid.De kwalificatie als abnormaal beheer of als speculatie blijft in alle gevallen een feitenkwestie.
(123) Bijvoorbeeld:
- unieke cryptoactiva die niet fungibel zijn met andere cryptoactiva (zoals digitale kunstwerken en digitale verzamelobjecten),
- cryptoactiva die diensten of fysieke activa vertegenwoordigen die uniek en niet fungibel zijn (zoals productgaranties of onroerend goed),
- cryptoactiva die niet voor betalings- of beleggingsdoeleinden aangewend kunnen worden.
195. Inkomsten uit betaalrekeningen waarop substantiële bedragen worden aangehouden en die duidelijk met een beleggingsdoel worden gebruikt, kunnen mogelijk worden beschouwd als abnormaal beheer. In dat geval kan art. 90, eerste lid, 1°, WIB 92 toepassing vinden.
196. Wanneer een vennootschap op welke wijze dan ook haar eigen aandelen verwerft, bepaalt art. 186, eerste lid, WIB 92 dat het positieve verschil tussen:
- de verkrijgingsprijs (of, als die ontbreekt, de waarde van de betrokken aandelen),
en
- het gedeelte van het gerevaloriseerde gestorte kapitaal dat deze aandelen vertegenwoordigen (zgn. inkoopboni),
fiscaal aangemerkt moet worden als een uitgekeerd dividend.
197. Art. 186, tweede lid, WIB 92 bepaalt aanvullend dat, wanneer de vennootschap haar eigen aandelen verwerft onder de voorwaarden van het WVV, het eerste lid slechts toepassing vindt in de volgende gevallen van vermogensverlies:
1° wanneer op de verkregen aandelen waardeverminderingen worden geboekt;
2° wanneer de aandelen worden vervreemd;
3° wanneer de aandelen worden vernietigd of van rechtswege nietig worden;
4° en uiterlijk bij de ontbinding van de vennootschap.
198. Art. 18, eerste lid, 2°ter, WIB 92 bepaalt dat de bedragen die overeenkomstig art. 186, WIB 92 als dividenden worden aangemerkt bij een verkrijging van eigen aandelen, als dividenden worden beschouwd in hoofde van de aandeelhouders.
199. De circulaire 2017/C/12 van 14.03.2017 betreffende de verkrijging van eigen aandelen verduidelijkt dat, wanneer geen enkele van de vier situaties in art. 186, tweede lid, WIB 92 zich voordoet tijdens het boekjaar waarin de vennootschap haar eigen aandelen inkoopt, het inkomen dat door de overdragende aandeelhouder wordt ontvangen, wordt beschouwd als een verwezenlijkte meerwaarde op aandelen. Wanneer echter één van de in art. 186, tweede lid, WIB 92 bedoelde situaties zich voordoet in hetzelfde boekjaar als de inkoop van eigen aandelen, dan wordt de aandeelhouder belast op het als dividend aangemerkte gedeelte van het overschot van de verkrijgingsprijs ten opzichte van het herwaarderingsaandeel in het volstort kapitaal dat door de overgedragen aandelen wordt vertegenwoordigd.
200. Er moet dus worden benadrukt dat in geval van inkoop van eigen aandelen zonder dat één van de in art. 186, tweede lid, WIB 92, bedoelde situaties zich voordoet tijdens hetzelfde boekjaar, de aandeelhouder zal worden belast op een meerwaarde op een financieel actief zoals voorzien in art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 en dit ten belope van het positieve verschil tussen de ontvangen prijs ingevolge de overdracht onder bezwarende titel van de aandelen en de aanschaffingswaarde van de aandelen.
201. In het geval van een overdracht onder bezwarende titel van aandelen, een inkoop van eigen rechten van deelneming, of een gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een instelling voor collectieve belegging (ICB), kan het inkomen dat uit deze overdracht voortvloeit onder zowel art. 19bis, WIB 92 als art. 90, eerste lid, 9°, c), WIB 92 vallen. Wanneer beide bepalingen mogelijk van toepassing zijn, moet eerst het belastbaar inkomen worden vastgesteld volgens art. 19bis, WIB 92 (124). Het aldus berekende bedrag wordt vervolgens in mindering gebracht van de meerwaarde die, op zichzelf beschouwd, als divers inkomen belastbaar zou zijn. Op deze wijze wordt de vrijstelling van art. 96/2, eerste lid, 6°, WIB 92 toegepast, waardoor dubbele belasting wordt vermeden.
(124) Meer info over art. 19bis, WIB 92 is te vinden in:
- de circulaire nr. Ci.RH.231/629.328 (AAFisc Nr. 41/2013) d.d. 25.10.2013 en het addendum d.d. 08.04.2016;
- de circulaire nr. Ci.RH.231/633.892 (AAFisc Nr. 33/2014) d.d. 20.08.2014 en het addendum d.d. 15.02.2016;
- de circulaire nr. 2019/C/95 d.d. 25.09.2019.
202. Voor de overdracht onder bezwarende titel van aandelen van een beleggingsfonds dat onder het toepassingsgebied van art. 19bis, WIB 92 valt (de zogenaamde Reynderstaks), is het belastbare bedrag van de nieuwe meerwaardebelasting dus gelijk aan:
- het bedrag van de meerwaarde berekend volgens art. 102, WIB 92,
verminderd met
- het bedrag van de belastbare grondslag van de inkomsten bedoeld in art. 19bis, WIB 92.
M.a.w., van de “nieuwe belastbare grondslag” (gebaseerd op de regels van de meerwaardebelasting) wordt de “belastbare grondslag berekend op basis van art. 19bis, WIB 92” afgetrokken.
Dit mechanisme zorgt ervoor dat dezelfde waardestijging niet tweemaal wordt belast en is van toepassing ongeacht of de aandelen vóór of na 31.12.2025 zijn verkregen.
203. Beide componenten (roerend inkomen en divers inkomen) zullen wel hun eigen toepasselijk tarief ondergaan.
204. Hierna volgen 2 voorbeelden:
- Voorbeeld 1: beleggingsfonds waarbij het Taxable Income per Share (“TIS”) berekend wordt.
Een belegger heeft op 01.01.2020 een aandeel in een gemengd kapitalisatiefonds (25 % belegd in obligaties en de rest in aandelen) gekocht voor 100.000 euro.
Op 31.12.2025 bedraagt de netto-inventariswaarde 150.000 euro.
Hij verkoopt op 30.06.2026 zijn aandeel in het fonds voor 250.000 euro. Dit is de enige meerwaarde op financiële activa die hij heeft verwezenlijkt in 2026. Op dat moment bedraagt de delta van de “TIS” 10.000 euro. De belastbare basis voor de Reynderstaks is het verschil tussen de “TIS” op de datum van verkoop en die op de datum van aankoop (125).
Zijn meerwaarde onder de meerwaardebelasting bedraagt 100.000 euro (250.000 -150.000).
Op 10.000 euro zal hij 30 % betalen (Reynderstaks), zijnde 3.000 euro en op de rest van de meerwaarde berekend volgens de regels van de meerwaardebelasting (nl. 90.000 euro) zal hij de vrijstelling van 10.000 euro kunnen toepassen zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 2°, WIB 92 (126). Over het resterend gedeelte (nl 80.000 euro) zal hij 10 % belasting betalen.
In totaal zal hij dus 11.000 euro (nl. 3.000 euro en 8.000 euro) betalen.
(125) Art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92.
(126) Er kan bij een verkoop in 2026 nog geen aanvullende vrijstelling zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 3°, WIB 92 toegekend worden.
- Voorbeeld 2: beleggingsfonds waarbij geen Taxable Income per Share (TIS) berekend wordt.
Een belegger heeft op 01.01.2020 een aandeel in een gemengd kapitalisatiefonds (25 % belegd in obligaties en de rest in aandelen) gekocht voor 100.000 euro. Op 31.12.2025 bedraagt de netto-inventariswaarde 150.000 euro.
Hij verkoopt op 30.06.2026 zijn aandeel in het fonds voor 250.000 euro. Dit is de enige meerwaarde op financiële activa die hij heeft verwezenlijkt in 2026. De belastbare basis voor de Reynderstaks bedraagt (250.000 euro – 100.000 euro) x 25% = 37.500 euro (127)
Zijn meerwaarde onder de meerwaardebelasting bedraagt 100.000 euro (250.000 euro - 150.000 euro).
Op 37.500 euro zal hij 30 % betalen (Reynderstaks), zijnde 11.250 euro en op de rest van de meerwaarde berekend volgens de regels van de meerwaardebelasting (nl. 62.500 euro) zal hij de vrijstelling van 10.000 euro kunnen toepassen zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 2°, WIB 92 (128). Over het resterend gedeelte (nl. 52.500 euro) zal hij 10 % betalen.
In totaal zal hij dus 16.500 euro (11.250 euro en 5.250 euro) betalen.
(127) Art. 19bis, § 2, WIB 92.
(128) Er kan bij een verkoop in 2026 nog geen aanvullende vrijstelling zoals voorzien in art. 96/2, eerste lid, 3°, WIB 92 toegekend worden.
205. Bijzondere aandacht is vereist in situaties waarin een rijksinwoner een financieel actief ten kosteloze titel overdraagt aan een niet-rijksinwoner. Hoewel een dergelijke overdracht niet wordt gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel in de zin van art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 (zie randnummers 10 en 83), kan zij wel onder het toepassingsgebied van de algemene antimisbruikbepaling vallen, voor zover aan alle wettelijke toepassingsvoorwaarden is voldaan. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een belastingplichtige financiële activa zonder tegenprestatie overdraagt aan iemand die geen rijksinwoner is. Die niet‑rijksinwoner verkoopt vervolgens de activa en verwezenlijkt de meerwaarde, om de verkoopsom daarna opnieuw gratis terug over te dragen aan de oorspronkelijke rijksinwoner. Het enige doel van deze constructie is het ontwijken van de meerwaardebelasting.
206. Wanneer ouders de aandelen van hun onderneming overdragen aan een holdingvennootschap van hun kinderen, waarbij de ouders zelf geen aandeelhouder zijn, is het uitzonderingsregime van art. 90, eerste lid, 9°, a), WIB 92 niet van toepassing (zie randnummers 25 e.v.). Wanneer echter de ouders na de verkoop van de aandelen aan de holding van de kinderen de openstaande rekening‑courant aan de kinderen overdragen, kan de administratie op basis van de algemene antimisbruikbepaling van art. 344, § 1, WIB 92 de verrichting alsnog aanmerken als een interne meerwaarde. Dat geldt ook wanneer de ouders hun aandelen rechtstreeks aan de kinderen overdragen en vervolgens de ontvangen verkoopprijs terug aan de kinderen doorschenken of overdragen.
207. Wanneer op het moment van verkoop het uitzonderingsregime niet van toepassing is omdat op dat ogenblik niet aan de controlevoorwaarde is voldaan (zie randnummers 25 e.v.), maar er na de verkoop op enig moment toch sprake is van gezamenlijke controle dan kan de situatie opnieuw worden beoordeeld.Als deze wijziging in controle niet kan worden gemotiveerd door andere redenen dan het ontwijken van inkomstenbelasting, zal de algemene antimisbruikbepaling worden toegepast. In dat geval wordt de verrichting alsnog als interne meerwaarde beschouwd en belast aan 33 % (129).
(129) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 159.
208. Ook bij interne meerwaarden geldt het fotomoment. In principe blijft de historische meerwaarde dus vrijgesteld. Daarbij moet evenwel worden benadrukt dat de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling en een herkwalificatie als dividend niet kan worden uitgesloten. Hierdoor kan de volledige verkoopprijs - inclusief het deel van de meerwaarde dat vóór 01.01.2026 werd verwezenlijkt - worden geherkwalificeerd als een dividenduitkering. In dit verband kan worden verwezen naar het arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 07.10.2023. Daarin werd geoordeeld dat een verkoop van aandelen aan een eigen gecontroleerde holding, waarbij de verkoopprijs wordt geboekt als een schuld in rekening‑courant en nadien wordt afgelost met middelen afkomstig uit dividenden die naar de holding opstromen, art. 18, eerste lid, 1°, WIB 92 frustreert. Dergelijke constructies worden beschouwd als misbruik en zullen ook in de toekomst worden aangepakt op basis van de algemene antimisbruikbepaling (130).
(130) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/004, blz. 187.
209. Wanneer aandelen worden verkocht aan een in de EER gevestigde rechtspersoon en de verwezenlijkte meerwaarde onder het bijzondere regime van art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 met het voordelige trapsgewijze tarief valt (zie randnummer 54), maar onmiddellijk daarna een doorverkoop plaatsvindt aan een buiten de EER gevestigde rechtspersoon, dan kan ook in dat geval de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling niet worden uitgesloten. Het ismogelijk dat de administratie deze opeenvolgende verrichtingen aanmerkt als veinzing om alsnog de totale verwezenlijkte meerwaarde over de opeenvolgende verkopen te belasten aan het nadelige tarief van 16,5% (zie randnummer 55).
210. Een vruchtgebruiker kan binnen de toepassing van art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92 niet als belastingplichtige worden aangemerkt (zie randnummer 12). Daardoor is het in principe niet mogelijk om een meerwaarde te belasten die door de vruchtgebruiker wordt verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht van het vruchtgebruik. Toch kan op basis van de antimisbruikbepaling een belastingheffing plaatsvinden in hoofde van de eigenaar of blote eigenaar wanneer opeenvolgende verrichtingen uitsluitend tot doel hebben om de belasting op de totale meerwaarde te vermijden in hoofde van de eigenaar of blote eigenaar.Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een eigenaar een financieel actief wil verkopen, maar de verkoop opsplitst in twee stappen. Eerst verkoopt hij de blote eigendom en later verkoopt hij het vruchtgebruik aan dezelfde koper.
211. Binnen de verrichtingen zoals bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, a) en b), WIB 92 (131) wordt de belasting niet geheven middels de inhouding en doorstorting van roerende voorheffing. Het is immers in beide situaties niet mogelijk voor een tussenpersoon om het bedrag van de meerwaarde te bepalen en de roerende voorheffing correct in te houden.
Daarom introduceert art. 326bis, WIB 92 een meldingsplicht voor tussenpersonen die betrokken zijn bij deze verrichtingen. Die meldingsplicht moet de administratie in staat stellen na te gaan of een eventuele meerwaarde correct wordt aangegeven. Omdat de tussenpersoon niet altijd weet of er effectief sprake is van een meerwaarde, is de meldingsplicht gekoppeld aan de transactie. De melding is verplicht van zodra de verrichting effectief werd uitgevoerd.
(131) zijnde Type A: interne meerwaarde en type B: meerwaarde aanmerkelijk belang.
212. De meldingsplicht rust op de personen die betrokken zijn bij een verrichting zoals bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, a) en b), WIB 92. De invulling van het begrip “betrokken persoon” sluit nauw aan bij het begrip “intermediair 1ste categorie” (132), zoals gebruikt in het kader van de meldingsplicht voor intermediairs inzake grensoverschrijdende constructies (133).
Dit betekent dat de meldingsplicht rust op iedere persoon die een verrichting van type A of type B bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie beheert. Louter ondersteunende handelingen, zoals het verstrekken van een krediet bij een overdracht van een onderneming of het louter ontvangen van een betaling die verwijst naar de verkoop van een onderneming, vallen niet onder de activiteiten van een intermediair 1ste categorie.
(132) Zie FAQ: DAC 6 – Melding van grensoverschrijdende constructies onder titel 8.1., te raadplegen op www.fisconetplus.be.
(133) Art. 326/1, WIB 92.
213. Daarnaast moet de betrokken tussenpersoon ook een nexus met België hebben opdat de meldingsplicht van toepassing zou zijn (134). De tussenpersoon moet daarom voldoen aan ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden:
1° fiscaal inwoner van België zijn;
2° beschikken over een vaste inrichting in België via welke de diensten in verband met de verrichtingen van type A of type B worden verleend;
3° opgericht zijn in of onder de toepassing van de Belgische wetten;
4° ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in België.
(134) Art. 326bis, § 2, WIB 92.
214. Het is mogelijk dat meerdere tussenpersonen betrokken zijn bij een geviseerde verrichting. In principe is ieder van hen afzonderlijk verplicht om de melding te doen. Om dubbele rapportering en de daarmee gepaard gaande nalevingskosten te vermijden, wordt een persoon vrijgesteld van de meldingsplichtindien hij een schriftelijk bewijs kan voorleggen dat een andere betrokken persoon de vereiste inlichtingen reeds heeft verstrekt (135). De vrijstelling geldt uitsluitend wanneer alle inlichtingen identiek zijn. Dit is vooral relevant bij transacties waarbij meerdere partijen betrokken zijn.
(135) Art. 326bis, § 4, eerste en tweede lid, WIB 92.
215. Daarnaast wordt voorzien in een uitzondering op de meldingsplicht wanneer de persoon die in beginsel meldingsplichtig is, gebonden is door een beroepsgeheim. In dergelijke gevallen moet niet aan de administratie gerapporteerd worden, maar dient de betrokken persoon schriftelijk en op gemotiveerde wijze andere betrokken personen op de hoogte te brengen dat hij niet aan de meldingsplicht kan voldoen. In dergelijke gevallen zal de meldingsplichtautomatisch op de andere betrokken personen rusten. Teneinde tegemoet te komen aan de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-623/22, Belgian Association of Tax Lawyers e.a.) geldt de verplichting om andere betrokken personen te verwittigen niet voor advocaten in de strikte zin van het woord (136).
(136) Art. 326bis, § 4, derde lid, WIB 92.
216. De inlichtingen die het voorwerp uitmaken van de meldingsplicht blijven beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de administratie om de correcte heffing van de belastingen te verzekeren. Het betreft:
- de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overgedragen financiële activa verkregen prijs;
- de identificatiegegevens, zoals bedoeld in art. 307, § 2/2, tweede lid, a) en b), WIB 92 van de koper(s) en de verkoper(s). De bedoelde identificatiegegevens zijn:
a) wanneer het een natuurlijke persoon betreft:
- de naam, de voornaam en het volledige adres;
- desgevallend, het identificatienummer van het Rijksregister of van het wachtregister;
- desgevallend, het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
b) wanneer het een rechtspersoon betreft:
- de naam, het volledige adres van de maatschappelijke zetel;
- desgevallend, het identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Het is belangrijk te benadrukken dat de betrokken tussenpersonen slechts toelating hebben om het identificatienummer van het Rijksregister of van het wachtregister te gebruiken, met als enig doel te voldoen aan hun meldingsplicht (137).
(137) Art. 326bis, § 3, WIB 92.
217. In toepassing van art. 326bis, § 5, WIB 92 zal er een formulier worden opgemaakt dat door de betrokken tussenpersonen moet worden gebruikt om aan de meldingsplicht te voldoen.
218. De belasting op meerwaarden is in principe van toepassing op de meerwaarden die worden verwezenlijkt door de overdracht onder bezwarende titel van financiële activa.
De situatie waarin de belastingplichtige zijn hoedanigheid van rijksinwoner verliest, wordt krachtens art. 92, § 2, 2°, WIB 92 met een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa gelijkgesteld.
In dat geval wordt, in het kader van de personenbelasting, een belasting geheven op de latente meerwaarde van deze financiële activa: dit is de exit taks (zie randnummer 154).
219. Om te voldoen aan de Europese rechtsbeginselen ter zake, voorziet art. 413/1, § 6, WIB 92 in een regime van uitstel van betaling van deze exit taks; dit uitstel van betaling is ofwel automatisch voor welbepaalde landen, ofwel optioneel (op verzoek) voor de andere.
220. Wanneer de belastingplichtige na zijn vertrek uit België inwoner wordt van een lidstaat van de Europese Unie (EU), een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER), of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten, wordt automatisch uitstel van betaling verleend voor het bedrag van de belasting op de meerwaarde (exit taks) die geacht wordt verwezenlijkt te zijn (138).
(138) Art. 413/1, § 6, eerste lid, WIB 92.
De belastingplichtige hoeft dus geen enkele formaliteit te vervullen om dit uitstel te verkrijgen.
De staten (andere dan de EU- en EER-lidstaten) waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten, zijn opgenomen in bijlage II bij deze circulaire.
221. Het automatische uitstel van betaling van de exit taks blijft slechts behouden indien de belastingplichtige gedurende een periode van 24 maandenvanaf het verlies van rijksinwonerschap permanent aan de volgende twee voorwaarden voldoet (139):
- De belastingplichtige draagt de financiële activa waarop de meerwaardebelasting werd gevestigd die aanleiding geeft tot het uitstel, niet onder bezwarende titel over, noch bezwaart hij deze financiële activa met een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten.
Het begrip “een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten” is die van het WIB 92, zoals gedefinieerd in art. 2, § 1, 12°, WIB 92. Bijgevolg brengen zekerheden die geen eigendomsoverdracht van de in zekerheid gegeven activa meebrengen, maar die zich enkel beperken tot het mogelijk maken van die overdracht (bijvoorbeeld in geval van wanprestatie door de pandgever), geen einde aan het automatische uitstel van betaling en dit tot zolang een dergelijke eigendomsoverdracht niet heeft plaatsgevonden.
Bovendien leiden de overdrachten onder bezwarende titel die na de emigratie en binnen deze periode van 24 maanden worden verricht, en die voor een Belgische belastingplichtige vrijgesteld zouden zijn en geen aanleiding zouden geven tot daadwerkelijke heffing indien de belastingplichtige fiscaal inwoner van België was gebleven, niet tot het verval van het automatische uitstel van betaling op basis van een grondwetsconforme (principe van gelijkheid en non-discriminatie) en EU-conforme interpretatie van de fiscale wetgeving. Het betreft bijvoorbeeld een inbreng vrijgesteld onder art. 96/2, 4°, WIB 92 of art. 95, WIB 92, of een uitonverdeeldheidtreding na echtscheiding die valt onder de vrijstelling van art. 96/2, 8°, WIB 92 (140).
- De belastingplichtige behoudt zijn woonplaats in een lidstaat van de Europese Unie (EU), een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER), of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten.
De belastingplichtige is dus vrij om gedurende deze periode van 24 maanden van woonplaats te veranderen binnen een staat van één van deze categorieën, zonder dat het uitstel van betaling vervalt.
Deze “verdachte” periode van 24 maanden verwijst naar de doelstelling van de exit taks, namelijk vermijden dat belastingplichtigen zich tijdelijk in het buitenland vestigen om later meerwaarden op financiële activa te verwezenlijken.
(139) Art. 413/1, § 6, tweede lid, WIB 92.
(140) Parl. St. Kamer, DOC 56 1244/007, blz. 43 en 44
222. Zodra één van deze twee voorwaarden niet langer vervuld is, eindigt het automatische uitstel van betaling en moet de belasting op meerwaarden (exit taks) worden betaald op basis van de fiscale toestand van de belastingplichtige op het moment waarop de fiscale fictie in werking trad (d.i. het moment van emigratie).
Er moeten echter twee beperkingen worden toegepast op dit verval van het automatische uitstel van betaling.
223. Enerzijds, wanneer de belastingplichtige gedurende de 24 maanden na zijn emigratie slechts een deel van zijn financiële activa heeft overgedragen, of wanneer slechts een deel van deze financiële activa het voorwerp heeft uitgemaakt van een zakelijke zekerheidsovereenkomst, vervalt het automatische uitstel van betaling slechts proportioneel in verhouding tot de belasting op meerwaarden (exit taks) verschuldigd op de overgedragen activa of die het voorwerp uitmaken van de zekerheidsovereenkomst (141).
Zo geniet een belastingplichtige die bijvoorbeeld 100 aandelen bezit op het moment dat hij België verlaat voor een andere lidstaat van de Europese Unie (emigratie), op dat moment automatisch van een uitstel van betaling van de belasting die betrekking heeft op de latente meerwaarde (exit taks) op deze 100 aandelen. Als hij binnen 24 maanden na zijn emigratie 20 van de voormelde 100 aandelen verkoopt, vervalt het uitstel van betaling voor het gedeelte van de exit taks dat betrekking heeft op deze 20 aandelen. Het automatische uitstel van betaling blijft daarentegen van kracht voor het gedeelte van de exit taks dat betrekking heeft op de 80 aandelen die hij nog steeds in bezit heeft.
(141) Art. 413/1, § 6, zevende lid, WIB 92.
224. Anderzijds, wanneer de belastingplichtige gedurende de 24 maanden na zijn emigratie zijn woonplaats niet behoudt in een lidstaat van de Europese Unie (EU), een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER), of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten, vervalt het uitstel van betaling niet indien hij een afdoende zekerheid verstrekt tot betaling van de belasting op meerwaarden (exit taks).
Voor het behoud van het uitstel van betaling en het stellen van deze zekerheid, en in het bijzonder voor de aanvaarding ervan, moet de belastingplichtige zich wenden tot de ontvanger (Team invordering) die voor de betrokken aanslag bevoegd is. Bij gebrek aan het stellen van een dergelijke zekerheid, vervalt het uitstel van betaling volledig.
225. Wanneer de belastingplichtige, na zijn vertrek uit België inwoner wordt van een ander land dan een lidstaat van de Europese Unie (EU), een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER), of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten, moet hij een verzoek tot uitstel van betaling indienen bij de fiscale administratie. Hij kan dit uitstel verkrijgen indien hij afdoende zekerheid verstrekt tot betaling van de belasting op meerwaarden (exit taks) (142).
Deze zekerheid kan onder meer bestaan uit een bankwaarborg, een storting bij de Deposito- en Consignatiekas of een inpandgeving van financiële instrumenten.
Voor het verkrijgen van het uitstel van betaling en het stellen van deze zekerheid, en in het bijzonder voor de aanvaarding ervan, moet de belastingplichtige zich wenden tot de ontvanger (Team invordering) die voor de betrokken aanslag bevoegd is.
(142) Art. 413/1, § 6, derde lid, WIB 92.
226. Wanneer de financiële activa gedurende de 24 maanden na het verlies van rijksinwonerschap van de belastingplichtige onder bezwarende titel worden overgedragen of het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten, vervalt het uitstel van betaling dat door de fiscale administratie werd toegekend en moet de belasting op meerwaarden (exit taks) worden betaald (143).
Zoals hoger vermeld (zie randnummer 221), kadert deze “verdachte” periode van 24 maanden in de doelstelling van de exit taks, namelijk vermijden dat belastingplichtigen zich tijdelijk in het buitenland vestigen om later meerwaarden op financiële activa te verwezenlijken.
Bovendien leiden - net zoals voor het automatische uitstel van betaling (zie randnummer 221)- de overdrachten onder bezwarende titel die worden verricht tijdens de periode van 24 maanden volgend op het verlies van rijksinwonerschap van de belastingplichtige, en die vrijgesteld zouden zijn en geen aanleiding zouden geven tot een daadwerkelijke heffing indien de belastingplichtige fiscaal inwoner van België was gebleven, niet tot het verval van het door de fiscale administratie toegekende uitstel van betaling.
(143) Art. 413/1, § 6, vierde lid, WIB 92.
227. Om de naleving van de voorwaarden van het automatische of optionele (op verzoek) uitstel van betaling te verzekeren, moet de belastingplichtige jaarlijks een attest bezorgen aan de administratie waaruit blijkt dat de voorwaarden om het uitstel te genieten nog steeds vervuld zijn (144).
De essentiële elementen die in het attest moeten worden opgenomen en de termijnen waarbinnen het moet worden ingediend, zullen bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
(144) Art. 413/1, § 6, vijfde lid, WIB 92.
228. Wanneer dit attest niet tijdig wordt bezorgd, worden de voorwaarden geacht niet langer vervuld te zijn en vervalt het automatische of optionele (op verzoek) uitstel van betaling.
229. Voor zover de exit taks niet eerder opeisbaar is geworden (bijvoorbeeld ingevolge een overdracht onder bezwarende titel van de financiële activa), vervalt de betalingsverplichting van de exit taks waarvoor automatisch of optioneel uitstel van betaling werd verkregen, in elk geval wanneer (145):
- Ofwel, de belastingplichtige zijn woonplaats opnieuw in België vestigt binnen 24 maanden na zijn emigratie.
Er moet worden benadrukt dat, wanneer de belastingplichtige binnen deze termijn van 24 maanden opnieuw zijn woonplaats in België vestigt en vervolgens opnieuw emigreert binnen dezelfde termijn, de beëindiging van de betalingsverplichting toch plaatsvindt. Bij een nieuwe emigratie zal het regime van de exit taks opnieuw worden toegepast. De nieuwe latente meerwaarde van de financiële activa zal dan worden berekend rekening houdend met de situatie van de belastingplichtige op het moment van deze nieuwe emigratie.
- Ofwel, de belastingplichtige gedurende meer dan 24 maanden fiscaal inwoner in het buitenland blijft.
Hij wordt dan immers geacht duurzaam te zijn geëmigreerd om niet-fiscale redenen.
(145) Art. 413/1, § 6, zesde lid, WIB 92.
230. Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan het overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in art. 96/2, eerste lid, 1° tot 3°, WIB 92 vermelde bedragen (146), na toepassing van art. 178, WIB 92 verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden (147).
Om de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden te bepalen, wordt elke kalendermaand waarvan de vijftiende dag tot het belastbare tijdperk behoort, als een volledige maand in aanmerking genomen.
(146) Vrijstelling van 1.000.000 euro bij meerwaarde type B (aanmerkelijk belang) en de basisvrijstelling en aanvullende vrijstelling bij meerwaarde type C.
(147) Art. 129/1, eerste lid, WIB 92.
231. De vrijgestelde bedragen bedoeld in art. 96/2, eerste lid, 2° en 3°, WIB 92 – namelijk de basisvrijstelling van 10.000 euro aan meerwaarden op financiële activa, en de eventuele aanvullende vrijgestelde schijf van 1.000 euro – zijn geïndexeerde bedragen. Het gaat hier om een bedrag van 10.000 euro en een bedrag van 1.000 euro, na toepassing van de indexeringscoëfficiënt voor het aanslagjaar 2027 (148) respectievelijk aanslagjaar 2028.
Het basisbedrag voor de basisvrijstelling, namelijk 4.855 euro, is vastgesteld op basis van indexeringscoëfficiënt voor aanslagjaar 2027 zodat het geïndexeerde vrijstellingsbedrag voor dat aanslagjaar effectief 10.000 euro bedraagt.
Het basisbedrag voor de aanvullende vrijstelling is voorlopig vastgesteld op 480 euro. Omdat de definitieve indexeringscoëfficiënt voor het aanslagjaar 2028 pas eind december 2026 kan worden vastgesteld, wordt aan de Koning een delegatie verleend om dit bedrag – indien nodig – aan te passen (te verhogen of te verlagen). Op die manier kan worden verzekerd dat het geïndexeerde bedrag van de aanvullende vrijstelling voor het aanslagjaar 2028 effectief 1.000 euro zal bedragen. Het door de Koning aangepaste bedrag zal vervolgens het huidige bedrag in art. 96/2, eerste lid, 3°, WIB 92 vervangen voor alle daaropvolgende jaren.
(148) Het bedrag wordt geïndexeerd op basis van de algemene coëfficiënt bedoeld in art. 178, § 3, eerste lid, 2°, WIB 92 zijnde 2,0592 voor het aanslagjaar 2027.
232. Het basisbedrag voor de in art. 96/2, derde lid, WIB 92 opgenomen maximale aanwending van de aanvullende vrijstelling bedraagt 2.426 euro. Ook dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.
233. Het vrijgestelde bedrag bedoeld in het art. 96/2, eerste lid, 1°, WIB 92 – namelijk de vrijgestelde schijf van 1.000.000 euro – evenals de belastingschijven die van toepassing zijn op de meerwaarden zoals bedoeld in art. 90, eerste lid, 9°, b), WIB 92 (aanmerkelijk belang) worden niet geïndexeerd (149)
(149) Art. 178, § 5, 4°, WIB 92.
234. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, hebben de hiervoor besproken bepalingen uitwerking met ingang van 01.01.2026 (150).
(150) Zie art. 35, eerste lid, W 06.04.2026.
235. De hiervoor besproken bepalingen zijn echter niet van toepassing op de belastingplichtigen die aan de personenbelasting onderworpen zijn en bij wie de gronden van belastbaarheid in 2026 - wegens het verlies van de hoedanigheid van rijksinwoner - zijn weggevallen vóór de inwerkingtreding van deze wet, nl. 01.05.2026.
Voor belastingplichtigen die overleden zijn vóór 01.05.2026 gelden de bepalingen wel. Het belastbaar tijdperk in de personenbelasting eindigt niet bij het overlijden. Men kan in deze situatie niet stellen dat de gronden van belastbaarheid zijn weggevallen vóór de inwerkingtreding van de wet.
236. De betrokken artikelen van de W 06.04.2026 luiden als volgt:
Art. 1.
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2.
In artikel 5/2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "en de meerwaarden op financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° en 9°, " ingevoegd tussen de woorden "De roerende inkomsten" en de woorden "die werden verkregen".
Art. 3.
In artikel 90, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "8° en 10° " vervangen door de woorden "en 8° tot 10° ";
b) de bepaling onder 9° wordt vervangen als volgt:
"9° meerwaarden die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en in het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen zijn verwezenlijkt naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel van:
a) aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, door een overdrager die alleen of samen met zijn echtgenoot of zijn afstammelingen, zijn ascendenten en zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot op de overnemer rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent zoals bedoeld in artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
b) aandelen, hoe ook genaamd, indien de overdrager minstens 20 pct. bezit van de rechten in de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen, en dit buiten de overdrachten bedoeld in de bepaling onder a);
c) financiële activa, buiten de overdrachten bedoeld in de bepalingen onder a) en b);".
Art. 4.
Artikel 92 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld als volgt:
"Art. 92. § 1. Financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c), omvatten de volgende elementen:
a) de financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, 1°, a) tot k), van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
b) de verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 5, 13°, 16° /1, 16° /2 en 16° /3, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 2, lid 3, a), i), en b), ii), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) of vergelijkbare levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen die buiten de Europese Unie worden aangegaan, met uitzondering van de levensverzekeringsovereenkomsten van tak 21 zonder spaar- of beleggingsdoelstelling die uitsluitend voorzien in een uitkering in geval van overlijden en die uitsluitend als doel hebben de terugbetaling van het kapitaal van een krediet of de uitvaartkosten van de verzekerde te dekken;
c) cryptoactiva, meer bepaald enige digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen, met gebruikmaking van distributed-ledger-technologie of vergelijkbare technologie met inbegrip van niet-verwisselbare tokens die voor betalings- of beleggingsdoeleinden gebruikt kunnen worden;
d) geldmiddelen, meer bepaald giraal geld of elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG, wanneer zij niet aangehouden worden op een betaalrekening zoals bedoeld in artikel 2, 18°, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, evenals beleggingsgoud zoals bedoeld in artikel 344, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de Lijst van gouden munten die voldoen aan deze criteria zoals gepubliceerd door de Europese Commissie en digitale centralebankmunten, daaronder te verstaan elke digitale fiduciaire valuta die door een Centrale Bank of een andere monetaire autoriteit wordt uitgegeven.
§ 2. Worden gelijkgesteld met een in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde overdracht onder bezwarende titel:
1° de vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden betreffende in paragraaf 1, b), bedoelde levensverzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen;
2° het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin buiten België;
§ 3. De in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden worden geacht inkomsten te vormen in hoofde van:
a) de eigenaar of de blote eigenaar van de overgedragen financiële activa;
b) de rechthebbende in geval van een verzekeringsovereenkomst of een in paragraaf 1, b), bedoelde verrichting."
Art. 5.
Artikel 94 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015 en 17 maart 2019, wordt opgeheven.
Art. 6.
In artikel 95 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008, en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015, 25 december 2016 en 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Niettegenstaande het bepaalde in artikel 90, eerste lid, 9°, worden de meerwaarden op aandelen in binnenlandse vennootschappen of in intra-Europese vennootschappen, in de mate dat ze worden verwezenlijkt naar aanleiding van een fusie, een splitsing, een met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, een aanneming van een andere rechtsvorm of de inbreng van deze aandelen in een binnenlandse vennootschap of een intra-Europese vennootschap, tijdelijk vrijgesteld, op voorwaarde dat de aandelen worden geruild voor nieuwe aandelen uitgegeven door de inbrengverkrijgende vennootschap met eventueel een opleg in geld die niet meer bedraagt dan 10 pct. van de nominale waarde, of bij gebreke aan nominale waarde, van de fractiewaarde van de nieuw uitgegeven aandelen.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Voor de inbreng van aandelen geldt bovendien de voorwaarde dat de inbrengverkrijgende vennootschap in het totaal meer dan 50 pct. van de stemmen verwerft in de vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht, of dat deze, indien zij reeds over een meerderheid van de stemmen beschikt, haar deelneming vergroot. Indien de inbrengverkrijgende vennootschap een vennootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a), 2), moet onder de fractiewaarde worden verstaan de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders toegezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.";
3° het vroegere derde lid, dat het vierde lid zou worden, wordt opgeheven;
4° in het vierde lid worden de woorden "de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden aandelen" vervangen door de woorden "de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden aandelen, zonder dat deze laatste waarde lager mag zijn dan de waarde van deze aandelen op 31 december 2025 zoals bepaald overeenkomstig artikel 102, § 4.
Art. 7.
In hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 95/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 95/1. Worden vrijgesteld, de meerwaarden op aandelen of deelbewijzen in een beleggingsvennootschap of een gemeenschappelijk beleggingsfonds die een instelling voor collectieve belegging is bedoeld in van artikel 3, eerste lid, 8°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of een alternatieve instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, wanneer deze worden verwezenlijkt naar aanleiding van:
1° een fusie, splitsing of verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing door deze beleggingsvennootschap of dit gemeenschappelijk beleggingsfonds of een compartiment daarvan, op voorwaarde dat de nieuwe aandelen of deelbewijzen die door deze verrichting in ruil voor de genoemde aandelen of deelbewijzen worden ontvangen door de belastingplichtige enkel aandelen of deelbewijzen zijn van één of meer van de bij deze verrichting betrokken beleggingsvennootschappen of gemeenschappelijke beleggingsfondsen of hun compartimenten;
2° de omvorming van een gemeenschappelijke beleggingsfonds of één van zijn compartimenten in een beleggingsvennootschap of in één van haar compartimenten.
In deze gevallen, worden de ingeschreven of ontvangen aandelen of deelbewijzen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de ingekochte of geruilde aandelen of deelbewijzen zijn verkregen en worden de meerwaarden of minderwaarden die betrekking hebben op de ingeschreven of ontvangen aandelen of deelbewijzen bepaald met inachtneming van de aanschaffingswaarde van de naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde verrichting ingekochte of geruilde aandelen of deelbewijzen.
Daartoe wordt elk ingeschreven of ontvangen aandeel of deelbewijs of fractie daarvan geacht een aanschaffingswaarde te hebben gelijk aan de aanschaffingswaarde van de aandelen of deelbewijzen of fractie daarvan waarvan de netto-inkoopprijs werd aangewend voor haar inschrijving of waarvoor ze werd omgewisseld."
Art. 8.
In hetzelfde Wetboek, wordt artikel 96/1, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015 en opgeheven bij de programmawet van 25 december 2016, hersteld als volgt:
"Art. 96/1. In de mate dat de in artikel 95/1 bedoelde vrijstelling van toepassing is, wordt artikel 90, eerste lid, 9°, c), toegepast op de ontvangen aandelen alsof de in artikel 95/1, eerste lid, vermelde verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
In dit geval worden meerwaarden of minderwaarden die betrekking hebben op de ontvangen aandelen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de ingekochte of geruilde aandelen.
Voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 9°, b) en c), worden de ontvangen aandelen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de ingekochte of geruilde aandelen zijn verkregen.
In geval van een splitsing is de fiscale nettowaarde van de aandelen ontvangen vanwege elk van de verkrijgende vennootschappen proportioneel aan de werkelijke waarde van de inbrengen verkregen door de verkrijgende vennootschappen ten opzichte van de werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap. In geval van een met splitsing gelijkgestelde verrichting is het totaal van de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap, en van de ontvangen aandelen gelijk aan de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap onmiddellijk vóór de gedeeltelijke splitsing. De fiscale nettowaarde van de in ruil ontvangen aandelen is evenredig met de werkelijke waarde van de inbreng in verhouding tot de totale werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap vóór de verrichting. Dienaangaande wordt de verrichting inzake een met splitsing gelijkgestelde verrichting, in hoofde van de aandeelhouder, gelijkgesteld met de omruiling van aandelen ingevolge splitsing."
Art. 9.
In titel II, hoofdstuk II, afdeling 5, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling 1/1 ingevoegd, luidende:
"Onderafdeling 1/1. Vrijgestelde inkomsten".
Art. 10.
In titel II, hoofdstuk II, afdeling 5, onderafdeling 1/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 9, wordt een artikel 96/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 96/2. Vrijgesteld zijn:
1° de eerste schijf van 1.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde inkomsten;
2° de eerste schijf van 4.855 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, c), bedoelde inkomsten;
3° de aanvullende schijf van een bedrag gelijk aan het positieve verschil tussen 480 euro en de vrijstelling als bedoeld in de bepaling onder 2° zoals zij daadwerkelijk werd aangewend in het vorige belastbare tijdperk voor elke periode van 12 maanden waarin de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling bedoeld in de bepaling onder 2° voor een bedrag van minder dan 480 euro;
4° de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, verkregen bij de inbreng van aandelen en die niet vallen onder de vrijstelling bedoeld in artikel 95;
5° de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c), op financiële activa als bedoeld in artikel 1451, 1°, 1° bis, 2°, 4° en 5° ;
6° de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c), voor zover ze belastbaar zijn als roerend inkomen of beroepsinkomen of onderworpen zijn aan de taks bedoeld in artikel 184 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
7° inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken aangemerkt werd als een juridische constructie of tussenconstructie, in de mate dat wordt aangetoond dat de door deze entiteit verkregen inkomsten, die reeds in hoofde van een natuurlijke persoon of een in artikel 220 bedoelde rechtspersoon in toepassing van de artikelen 5/1, 18, eerste lid, 3° /1, of 220/1, in België hun belastingregime hebben ondergaan, in deze eerstgenoemde inkomsten voorkomen;
8° meerwaarden op financiële activa als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, verwezenlijkt naar aanleiding van een uitonverdeeldheidtreding die binnen de drie jaar voortvloeit uit een overlijden, een echtscheiding, het einde van een wettelijke samenwoning of het einde van een feitelijke samenwoning.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt verminderd met de vrijgestelde schijf van de meerwaarde overeenkomstig dezelfde bepaling waarvan de belastingplichtige het voordeel heeft genoten in de loop van de vier voorgaande belastbare tijdperken.
Per belastbaar tijdperk kunnen de in het eerste lid, 3°, bedoelde vrijstellingen niet meer bedragen dan 2.426 euro. In voorkomend geval worden de oudste vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 3°, bij voorrang in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, en artikel 5/1, § 1, derde lid, worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd, en worden de inkomsten geacht in België hun belastingregime niet te hebben ondergaan, indien deze buiten het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen of krachtens dit Wetboek of een verdrag worden vrijgesteld."
Art. 11.
Artikel 102 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 oktober 2025, wordt vervangen als volgt:
"Art. 102. § 1. Onder voorbehoud van artikel 102/1, worden de in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde.
Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger die financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen.
In afwijking van het tweede lid, wordt onder aanschaffingswaarde begrepen:
a) voor aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten die werden verkregen overeenkomstig de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, de waarde op het moment van de uitoefening van de optie;
b) voor de aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten die werden verkregen overeenkomstig de artikelen 48 tot 49 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, en andere aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten ontvangen met prijsreductie, de waarde op het moment van verwerving;
c) voor opties die werden verkregen overeenkomstig de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, het hogere bedrag van ofwel hun marktwaarde op het moment dat ze overdraagbaar worden ofwel hun belastbare bedrag zoals vastgesteld en toegepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 maart 1999;
d) voor aandelen die worden aangehouden ingevolge een inbreng zoals bedoeld in artikel 96/2, 4°, en voor financiële activa die worden aangehouden ingevolge een uitonverdeeldheidtreding zoals bedoeld in artikel 96/2, 8°, de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden aandelen of financiële activa;
e) voor de overgedragen aandelen van een vennootschap die bij een eerdere verrichting van vereenvoudigde zusterfusie als overnemende vennootschap werd aangeduid, de waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger deze overgedragen aandelen onder bezwarende titel heeft verkregen, verhoogd met de waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de aandelen van elke overgenomen vennootschap onder bezwarende titel heeft verkregen.
Wanneer de belastingplichtige meerdere achtereenvolgens verkregen identieke financiële activa aanhoudt, wordt het eerst verkregen financieel actief geacht het eerst overgedragen financieel actief te zijn.
Wanneer de in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn uitgedrukt in vreemde valuta, worden zij omgezet in euro tegen de wisselkoers die geldt op het moment van de aankoop en verwezenlijking van het financieel actief.
Wanneer de aanschaffingswaarde bedoeld in het eerste lid niet op basis van bewijskrachtige gegevens wordt bepaald, stemt de belastbare meerwaarde overeen met de ontvangen prijs of waarde zoals bepaald in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, in het geval zoals bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, wordt de ontvangen prijs of waarde gelijkgesteld met de waarde van het financieel actief op het moment van het met een overdracht ten bezwarende titel gelijkgestelde feit.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, is de prijs of waarde aan dewelke de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger een financieel actief onder bezwarende titel wordt geacht te hebben verkregen, gelijk aan zijn waarde op de eerste dag van de onderwerping van de belastingplichtige aan de personenbelasting in geval van de overbrenging door die laatste van zijn woonplaats of zetel van fortuin naar België.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, wordt de verkrijgingswaarde van de financiële activa die de belastingplichtige aanhield op het moment van de verrichting bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, bepaald alsof de belastingplichtige het Koninkrijk niet had verlaten.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, mag het bedrag van de aanschaffingswaarde vermeerderd worden met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend bij de effectieve heffing van een buitenlandse belasting die van gelijke aard is als de heffing bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden de in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden op financiële activa die werden ontvangen vóór 1 januari 2026, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs en de waarde van deze financiële activa op 31 december 2025 in hoofde van de belastingplichtige of diens rechtsvoorganger.
Voor de toepassing van het eerste lid, en onder voorbehoud van paragraaf 3, wordt de waarde van financiële activa op 31 december 2025 bepaald op basis van:
1° voor de financiële activa die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt, de laatste slotkoers van het jaar 2025;
2° voor de financiële activa die niet genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt, de hoogste van de volgende waardes:
a) de waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel van dezelfde financiële activa tussen volstrekt onafhankelijke partijen, of naar aanleiding van de laatste kapitaalverhoging of van de oprichting van de venootschap die de laatste verhoging van haar kapitaal die plaatsvond van 1 januari 2025 tot 31 december 2025;
b) de waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contract of in een contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa dat inwerking is op 1 januari 2026;
c) wat aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten betreft, het eigen vermogen verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan vier keer de EBITDA, bedoeld in artikel 2759, § 2, derde lid, van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 januari 2026.
In afwijking van het tweede lid, 2°, c), of voor de financiële activa waarbij de methodes zoals opgenomen in het tweede lid niet van toepassing zijn, kan de belastingplichtige hun waarde vaststellen als zijnde gelijk aan hun waarde op 31 december 2025, zoals bepaald uiterlijk op 31 december 2027 door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant, waarbij geen van beiden de gebruikelijke beroepsbeoefenaar mag zijn.
Voor de overdrachten die plaatsvinden tot 31 december 2030 van financiële activa die vóór 1 januari 2026 zijn verworven, kan op verzoek van de belastingplichtige, in afwijking van het eerste lid, de meerwaarde worden begrepen als het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs en de aanschaffingswaarde van deze financiële activa zoals aangetoond door de belastingplichtige. In dat geval wordt, in afwijking van paragraaf 1, vierde lid, de meerwaarde berekend rekening houdende met de gemiddelde aankoopwaarde per financieel actief dat door de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger werd aangehouden vóór 31 december 2025.
§ 5. De in artikel 90, eerste lid, 9°, a), b) of c), bedoelde meerwaarden worden verminderd met de minderwaarden die werden verwezenlijkt door dezelfde belastingplichtige in de loop van hetzelfde belastbare tijdperk binnen dezelfde categorie van financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a), b) of c).
De minderwaarde is het negatieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde voor zover deze aanschaffingswaarde wordt bewezen door de belastingplichtige op basis van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Voor de financiële activa die werden verkregen voor 1 januari 2026 is de minderwaarde het negatieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de waarde van deze financiële activa op 31 december 2025."
Art. 12.
In titel II, hoofdstuk II, afdeling 5, onderafdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt tussen het huidige artikel 102 en het huidige artikel 102bis een artikel 102/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 102/1. § 1. De in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden op financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), worden in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden en het totaal van de gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Wanneer de in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn uitgedrukt in vreemde valuta, worden ze omgezet in euro tegen de wisselkoers op het moment van betaling van de premies en de uitkering van de kapitalen en afkoopwaarden.
Wanneer het bedrag van de gestorte premies bedoeld in het eerste lid niet op basis van bewijskrachtige gegevens wordt bepaald, stemt de belastbare meerwaarde overeen met de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2. In geval van verplaatsing door de belastingplichtige van zijn woonplaats of zetel van fortuin naar België worden de meerwaarden bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, op financiële activa die onder het toepassingsgebied van artikel 92, § 1, b), vallen, in afwijking van paragraaf 1, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen enerzijds de uitgekeerde kapitalen of afkoopwaarden en anderzijds de waarde van de financiële activa zoals bepaald in het tweede lid vermeerderd met het totaal van de vanaf die dag gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de waarde van de financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), gelijk aan de inventarisreserve zoals gedefinieerd door bepalingen naar buitenlands recht die vergelijkbaar zijn met bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit op de eerste dag waarop de belastingplichtige onderworpen wordt aan de personenbelasting bij een verplaatsing van zijn woonplaats of zijn zetel van fortuin naar België.
§ 3. In geval van verplaatsing van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland zoals bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, worden de meerwaarden bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, op financiële activa die onder het toepassingsgebied van artikel 92, § 1, b), vallen, in afwijking van paragraaf 1, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de waarde van de financiële activa zoals bepaald in het tweede lid en het totaal van de gestorte premies op het moment van verplaatsing van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland, in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Voor de toepassing van het eerste lid is de waarde van de financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), gelijk aan de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht, op het moment van het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, wordt het bedrag van de gestorte premies zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, op het moment van de verrichting bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, bepaald alsof de belastingplichtige het Koninkrijk niet had verlaten.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, mag het bedrag van de aanschaffingswaarde vermeerderd worden met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend bij de effectieve heffing van een buitenlandse belasting die van gelijke aard is als de heffing bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden de in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden op financiële activa als bedoeld in artikel 92, § 1, b), die werden gesloten vóór 1 januari 2026, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen enerzijds de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden en anderzijds de waarde van de financiële activa op 31 december 2025. Deze waarde wordt verhoogd met de premies gestort vanaf 1 januari 2026 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de financiële activa op 31 december 2025 bepaald op basis van de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht op 31 december 2025 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies gestort tot 31 december 2025 niet reeds is afgekocht na 31 december 2025.
Voor de overdrachten die plaatsvinden tot 31 december 2030 van financiële activa als bedoeld in artikel 92, § 1, b), die vóór 1 januari 2026 zijn gesloten, kan de waarde van deze financiële activa op 31 december 2025, op verzoek van de belastingplichtige, worden begrepen als het totaal van de tot 31 december 2025 gestorte premies zoals aangetoond door de belastingplichtige, in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
§ 5. De minderwaarde op financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), is het negatieve verschil tussen de uitgekeerde kapitalen of afkoopwaarden en de aanschaffingswaarde voor zover deze aanschaffingswaarde wordt bewezen door de belastingplichtige op basis van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen het totaal van de gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Voor de financiële activa als bedoeld in artikel 92, § 1, b), die werden gesloten vóór 1 januari 2026 is de aanschaffingswaarde, in afwijking van het eerste lid, de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht op 31 december 2025 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde opgebouwd door de premies gestort tot 31 december 2025 niet reeds is afgekocht na 31 december 2025. De inventarisreserve wordt verhoogd met de premies gestort vanaf 1 januari 2026 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht."
Art. 13.
In artikel 129/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2025, worden de woorden "en 126, § 2, eerste lid, 4° " vervangen door de woorden "96/2, eerste lid, 1° tot 3°, en 126, § 2, eerste lid, 4° ".
Art. 14.
In artikel 171, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1°, a), worden de woorden "9°, eerste streepje" vervangen door de woorden "9°, a)";
2° in de bepaling onder 2°, wordt de bepaling onder e) hersteld als volgt:
"e) de in artikel 90, eerste lid, 9°, c), bedoelde meerwaarden;";
3° in de bepaling onder 2°, wordt de bepaling onder f) hersteld als volgt:
"f) de schijf boven 10.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden;";
4° in de bepaling onder 4°, e), worden de woorden "9°, tweede streepje, en" opgeheven;
5° de bepaling onder 4° wordt aangevuld met een bepaling onder l), luidende:
"l) in afwijking van de bepalingen onder 2°, f), 9°, 10° en 11°, de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden op aandelen die rechten in een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen verwezenlijkt bij de overdracht aan een in artikel 227, 2° of 3°, bedoelde rechtspersoon waarvan de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gevestigd.";
6° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 9°, 10° en 11°, luidende:
"9° tegen een aanslagvoet van 1,25 pct., de schijf tot 2.500.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden;
10° tegen een aanslagvoet van 2,5 pct., de schijf van 2.500.000 tot 5.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden;
11° tegen een aanslagvoet van 5 pct., de schijf van 5.000.000 tot 10.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden."
Art. 15.
Artikel 178, § 5, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2025, wordt aangevuld met een bepaling onder 4°, luidende:
"4° de in de artikelen 96/2, eerste lid, 1°, 171, 2°, f), en 171, 9° tot 11°, bedoelde bedragen."
Art. 16.
In artikel 184, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 oktober 2025, worden de woorden "ofwel niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje" vervangen door de woorden "ofwel zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 96/2, eerste lid, 4°, ".
…
Art. 20.
In artikel 228, § 2, 9°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2025, wordt de bepaling onder h) opgeheven.
Art. 21.
In artikel 232, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin, worden de woorden ", van hun in artikel 228, § 2, 9°, a/1, vermelde inkomsten en van de in artikel 228, § 2, 9°, h, vermelde meerwaarden" vervangen door de woorden "en van hun in artikel 228, § 2, 9°, a/1, bedoelde inkomsten";
2° in de bepaling onder b), worden de woorden "en h" opgeheven.
…
Art. 28.
In artikel 307, § 1/1,van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd bij de wetten van 7 februari 2018 en 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het derde en het vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
"Wanneer een rijksinwoner artikel 96/2, eerste lid, 2° of 3°, of de hogere aanschaffingswaarde bedoeld in de artikelen 102, § 4, vierde lid en 102/1, § 4, derde lid, of verrekening van de minderwaarden bedoeld in de artikelen 102, § 5, en 102/1, § 5, wenst toe te passen voor meerwaarden waarvoor in toepassing van artikel 261 roerende voorheffing is ingehouden, vraagt hij de verrekening en, desgevallend, de terugbetaling van die roerende voorheffing in zijn aangifte in de personenbelasting voor het belastbare tijdperk waarin die meerwaarden werden verwezenlijkt. Deze vraag wordt gestaafd met bewijsstukken, die ter beschikking worden gehouden van de administratie.";
2° in het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "het in het derde lid bedoelde bewijs wordt geleverd" vervangen door de woorden "de in het derde en vierde lid bedoelde bewijzen worden geleverd".
Art. 29.
In artikel 313, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin, worden de woorden "artikel 90, eerste lid, 6° en 11° " vervangen door de woorden "artikel 90, eerste lid, 6°, 9° en 11° ";
2° in de inleidende zin worden de woorden "met uitzondering van de vrijstelling bedoeld in artikel 265/1" ingevoegd tussen de woorden "zijn vrijgesteld" en de woorden ", behalve indien";
3° het lid wordt aangevuld met de bepaling onder 7°, luidende:
"7° in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden die verwezenlijkt worden op financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, c) en d)."
Art. 30.
In titel VII, hoofdstuk III, afdeling 2, van hetzelfde wetboek, wordt een artikel 326bis ingevoegd, luidende:
"Art. 326bis. § 1. Iedere persoon, die een verrichting zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a) of b), bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert, is gehouden om de in paragraaf 3 bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis, bezit of controle heeft te verstrekken uiterlijk de laatste dag van februari van het jaar volgend op het jaar van de uitvoering van de verrichting zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a) of b).
§ 2. De persoon, bedoeld in paragraaf 1, dient te voldoen aan ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden opdat de in paragraaf 1 bedoelde verplichting toepassing vindt:
1° fiscaal inwoner van België zijn;
2° beschikken over een vaste inrichting in België via welke de diensten in verband met de verrichtingen bedoeld in paragraaf 1 worden verleend;
3° opgericht zijn in België of onder de toepassing vallen van de Belgische wetten;
4° ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in België.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen betreffen de volgende elementen:
1° de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overgedragen financiële activa verkregen prijs;
2° de identificatiegegevens, zoals bedoeld in artikel 307, § 2/2, tweede lid, a) en b), van de kopers en de verkopers.
Met als enig doel aan de verplichtingen van dit artikel te voldoen, hebben de in paragraaf 1 bedoelde personen de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen of van het wachtregister te gebruiken om de belastingplichtige te identificeren voor wie zij een verrichting bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a) of b), aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of de implementatie ervan beheren.
§ 4. Wanneer meerdere personen zoals bedoeld in paragraaf 1 betrokken zijn bij dezelfde verrichting, moeten alle betrokken personen de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen over deze verrichting verstrekken.
Een persoon is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen indien hij een schriftelijk bewijs kan voorleggen dat een andere persoon de inlichtingen zoals bedoeld in paragraaf 3 reeds heeft verstrekt.
Wanneer een persoon bedoeld in paragraaf 1, die geen advocaat is, gebonden is door een beroepsgeheim, is hij gehouden de andere betrokken personen zoals bedoeld in paragraaf 1 schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen dat hij niet aan de meldingsplicht kan voldoen, waardoor deze meldingsplicht automatisch rust op de andere betrokken personen.
§ 5. De Koning bepaalt het formulier waarmee de personen bedoeld in paragraaf 1 de verplichting opgenomen in deze bepaling moeten naleven."
Art. 31.
Artikel 413/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. Een uitstel van betaling wordt toegekend op het resterend verschuldigde gedeelte van de inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de verwezenlijkte meerwaarden in de gevallen bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, en 222/1, tweede lid, indien de belastingplichtige zijn woonplaats, zetel van fortuin of zetel van beheer of bestuur heeft verplaatst naar een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten.
Het in het eerste lid bedoelde uitstel van betaling vervalt wanneer:
1° de financiële activa onder bezwarende titel overgedragen worden of het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten, of;
2° de belastingplichtige zijn fiscale woonplaats heeft buiten een lidstaat van de Europese Unie, een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen dat voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijds invorderingsbijstand heeft afgesloten en niet voldaan wordt aan de in het derde lid bedoelde voorwaarde.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 92, § 2, 2°, en 222/1, tweede lid, kan op het verzoek van de belastingplichtige wiens woonplaats, zetel van fortuin of zetel van beheer of bestuur werd overgedragen naar een andere dan in het eerste lid bedoelde Staat, een uitstel van betaling worden toegekend indien deze belastingplichtige een afdoende zekerheid tot betaling van het verschuldigde bedrag verstrekt.
Het toegekende uitstel van betaling als bedoeld in het derde lid vervalt wanneer de financiële activa onder bezwarende titel overgedragen worden of het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten.
Het behoud van het uitstel van betaling als bedoeld in het eerste en het derde lid wordt jaarlijks onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige een attest bezorgt waarin hij bevestigt niet te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk het tweede lid of het vierde lid.
De betalingsverplichting waarop het uitstel van betaling overeenkomstig het eerste en het derde lid van deze bepaling werd toegekend, vervalt:
1° hetzij wanneer de belastingplichtige zijn woonplaats, zetel van fortuin of zetel van bestuur of beheer binnen de 24 maanden opnieuw in België vestigt;
2° hetzij na het verstrijken van een periode van 24 maanden na de overdracht van zijn woonplaats, zetel van fortuin of zetel van bestuur of beheer naar het buitenland.
Wanneer de in het tweede lid, 1°, bedoelde situatie zich voordoet, vervalt het uitstel van betaling ten belope van het nog verschuldigde gedeelte van de inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de financiële activa die onder bezwarende titel zijn overgedragen of die het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst op financiële instrumenten. Wanneer in het tweede lid, 2°, bedoelde situatie zich voordoet, vervalt het uitstel van betaling volledig.
De Koning bepaalt welke elementen het in het vijfde lid bedoelde attest moet bevatten, alsook binnen welke termijn de belastingplichtige dit attest aan de administratie moet bezorgen."
Art. 32.
In artikel 466 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 juli 2025, wordt het tweede lid aangevuld met de woorden ", en met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de diverse inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9° ".
Art. 33.
De Koning wijzigt in voorkomend geval het in artikel 96/2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde bedrag zodat het na toepassing van artikel 178 van hetzelfde Wetboek gelijk is aan 1.000 euro voor de inkomsten die worden betaald of toegekend in 2027. Onverminderd de toepassing van artikel 178 van hetzelfde Wetboek, blijft het aldus gewijzigde bedrag van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2027 worden betaald of toegekend.
…
Art. 35.
Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2026.
…
237. Na de wijzigingen door de W 06.04.2026 luiden de betrokken bepalingen van het WIB 92 als volgt. De wijzigingen zijn in vet weergegeven.
Art. 5/2, WIB 92
De roerende inkomsten en de meerwaarden op financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° en 9°, die werden verkregen op een rekening op naam van een vereniging, die geen winsten of baten verkrijgt of die niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, zijn belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die gemachtigd is deze rekening te beheren, alsof deze rijksinwoner deze inkomsten rechtstreeks zou hebben verkregen.
In het geval de rekening wordt beheerd door meerdere personen is elke rijksinwoner belastbaar in verhouding tot het aantal personen dat gemachtigd is deze rekening te beheren.
Art. 90, WIB 92
Diverse inkomsten zijn:
1° onverminderd het bepaalde in 1°bis, 1°ter en 8° tot 10°, winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen;
…
9° meerwaarden die buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid en in het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen zijn verwezenlijkt naar aanleiding van de overdracht onder bezwarende titel van:
a) aandelen en winstbewijzen, hoe ook genaamd, door een overdrager die alleen of samen met zijn echtgenoot of zijn afstammelingen, zijn ascendenten en zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot op de overnemer rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent zoals bedoeld in artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
b) aandelen, hoe ook genaamd, indien de overdrager minstens 20 pct. bezit van de rechten in de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen, en dit buiten de overdrachten bedoeld in de bepaling onder a);
c) financiële activa, buiten de overdrachten bedoeld in de bepalingen onder a) en b);
Art 92, WIB 92
§ 1. Financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c), omvatten de volgende elementen:
a) de financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, 1°, a) tot k), van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
b) de verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 5, 13°, 16°/1, 16°/2 en 16°/3, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 2, lid 3, a), i), en b), ii), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) of vergelijkbare levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen die buiten de Europese Unie worden aangegaan, met uitzondering van de levensverzekeringsovereenkomsten van tak 21 zonder spaar- of beleggingsdoelstelling die uitsluitend voorzien in een uitkering in geval van overlijden en die uitsluitend als doel hebben de terugbetaling van het kapitaal van een krediet of de uitvaartkosten van de verzekerde te dekken;
c) cryptoactiva, meer bepaald enige digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen, met gebruikmaking van distributed-ledger-technologie of vergelijkbare technologie met inbegrip van niet-verwisselbare tokens die voor betalings- of beleggingsdoeleinden gebruikt kunnen worden;
d) geldmiddelen, meer bepaald giraal geld of elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/ EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG, wanneer zij niet aangehouden worden op een betaalrekening zoals bedoeld in artikel 2, 18°, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, evenals beleggingsgoud zoals bedoeld in artikel 344, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de Lijst van gouden munten die voldoen aan deze criteria zoals gepubliceerd door de Europese Commissie en digitalecentralebankmunten, daaronder te verstaan elke digitale fiduciaire valuta die door een Centrale Bank of een andere monetaire autoriteit wordt uitgegeven.
§ 2. Worden gelijkgesteld met een in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde overdracht onder bezwarende titel:
1° de vereffening bij leven van kapitalen en afkoopwaarden betreffende in paragraaf 1, b), bedoelde levensverzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen;
2° het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin buiten België;
§ 3. De in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden worden geacht inkomsten te vormen in hoofde van:
a) de eigenaar of de blote eigenaar van de overgedragen financiële activa;
b) de rechthebbende in geval van een verzekeringsovereenkomst of een in paragraaf 1, b), bedoelde verrichting.”
Art. 94, WIB 92
(…)
Art. 95, WIB 92
Niettegenstaande het bepaalde in artikel 90, eerste lid, 9°, worden de meerwaarden op aandelen in binnenlandse vennootschappen of in intra-Europese vennootschappen, in de mate dat ze worden verwezenlijkt naar aanleiding van een fusie, een splitsing, een met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting, een aanneming van een andere rechtsvorm of de inbreng van deze aandelen in een binnenlandse vennootschap of een intra-Europese vennootschap, tijdelijk vrijgesteld, op voorwaarde dat de aandelen worden geruild voor nieuwe aandelen uitgegeven door de inbrengverkrijgende vennootschap met eventueel een opleg in geld die niet meer bedraagt dan 10 pct. van de nominale waarde, of bij gebreke aan nominale waarde, van de fractiewaarde van de nieuw uitgegeven aandelen.
Voor de inbreng van aandelen geldt bovendien de voorwaarde dat de inbrengverkrijgende vennootschap in het totaal meer dan 50 pct. van de stemmen verwerft in de vennootschap waarvan de aandelen worden ingebracht, of dat deze, indien zij reeds over een meerderheid van de stemmen beschikt, haar deelneming vergroot. Indien de inbrengverkrijgende vennootschap een vennootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a), 2, moet onder de fractiewaarde worden verstaan de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders toegezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen
De vrijstelling is slechts van toepassing indien de verrichting aan het bepaalde in artikel 183bis beantwoordt.
(…)
De gerealiseerde meerwaarde of minderwaarde is gelijk aan het verschil tussen de werkelijke waarde van de ontvangen aandelen en de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehouden aandelen, zonder dat deze laatste waarde lager mag zijn dan de waarde van deze aandelen op 31 december 2025 zoals bepaald overeenkomstig artikel 102, § 4. Ze wordt beschouwd als een belastbaar inkomen voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de voorwaarde van bezit niet langer vervuld is.
Art. 95/1, WIB 92.
Worden vrijgesteld, de meerwaarden op aandelen of deelbewijzen in een beleggingsvennootschap of een gemeenschappelijk beleggingsfonds die een instelling voor collectieve belegging is bedoeld in van artikel 3, eerste lid, 8°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of een alternatieve instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, wanneer deze worden verwezenlijkt naar aanleiding van:
1° een fusie, splitsing of verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing door deze beleggingsvennootschap of dit gemeenschappelijk beleggingsfonds of een compartiment daarvan, op voorwaarde dat de nieuwe aandelen of deelbewijzen die door deze verrichting in ruil voor de genoemde aandelen of deelbewijzen worden ontvangen door de belastingplichtige enkel aandelen of deelbewijzen zijn van één of meer van de bij deze verrichting betrokken beleggingsvennootschappen of gemeenschappelijke beleggingsfondsen of hun compartimenten;
2° de omvorming van een gemeenschappelijke beleggingsfonds of één van zijn compartimenten in een beleggingsvennootschap of in één van haar compartimenten.
In deze gevallen, worden de ingeschreven of ontvangen aandelen of deelbewijzen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de ingekochte of geruilde aandelen of deelbewijzen zijn verkregen en worden de meerwaarden of minderwaarden die betrekking hebben op de ingeschreven of ontvangen aandelen of deelbewijzen bepaald met inachtneming van de aanschaffingswaarde van de naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde verrichting ingekochte of geruilde aandelen of deelbewijzen.
Daartoe wordt elk ingeschreven of ontvangen aandeel of deelbewijs of fractie daarvan geacht een aanschaffingswaarde te hebben gelijk aan de aanschaffingswaarde van de aandelen of deelbewijzen of fractie daarvan waarvan de netto-inkoopprijs werd aangewend voor haar inschrijving of waarvoor ze werd omgewisseld.
Art. 96/1. WIB 92
In de mate dat de in artikel 95/1 bedoelde vrijstelling van toepassing is, wordt artikel 90, eerste lid, 9°, c), toegepast op de ontvangen aandelen alsof de in artikel 95/1, eerste lid, vermelde verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.
In dit geval worden meerwaarden of minderwaarden die betrekking hebben op de ontvangen aandelen bepaald met inachtneming van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de ingekochte of geruilde aandelen.
Voor de toepassing van artikel 90, eerste lid, 9°, b) en c), worden de ontvangen aandelen geacht te zijn verkregen op de datum waarop de ingekochte of geruilde aandelen zijn verkregen.
In geval van een splitsing is de fiscale nettowaarde van de aandelen ontvangen vanwege elk van de verkrijgende vennootschappen proportioneel aan de werkelijke waarde van de inbrengen verkregen door de verkrijgende vennootschappen ten opzichte van de werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap. In geval van een met splitsing gelijkgestelde verrichting is het totaal van de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap, en van de ontvangen aandelen gelijk aan de fiscale nettowaarde van de aandelen van de gesplitste vennootschap onmiddellijk vóór de gedeeltelijke splitsing. De fiscale nettowaarde van de in ruil ontvangen aandelen is evenredig met de werkelijke waarde van de inbreng in verhouding tot de totale werkelijke waarde van de gesplitste vennootschap vóór de verrichting. Dienaangaande wordt de verrichting inzake een met splitsing gelijkgestelde verrichting, in hoofde van de aandeelhouder, gelijkgesteld met de omruiling van aandelen ingevolge splitsing.
Art. 96/2, WIB 92
Vrijgesteld zijn:
1° de eerste schijf van 1.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde inkomsten;
2° de eerste schijf van 4.855 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, c), bedoelde inkomsten;
3° de aanvullende schijf van een bedrag gelijk aan het positieve verschil tussen 480 euro en de vrijstelling als bedoeld in de bepaling onder 2° zoals zij daadwerkelijk werd aangewend in het vorige belastbare tijdperk voor elke periode van 12 maanden waarin de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling bedoeld in de bepaling onder 2° voor een bedrag van minder dan 480 euro;
4° de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°,verkregen bij de inbreng van aandelen en die niet vallen onder de vrijstelling bedoeld in artikel 95;
5° de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c), op financiële activa als bedoeld in artikel 1451, 1°, 1°bis, 2°, 4° en 5°;
6° de inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c), voor zover ze belastbaar zijn als roerend inkomen of beroepsinkomen of onderworpen zijn aan de taks bedoeld in artikel 184 van het Wetboek diverse rechten en taksen;
7° inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken aangemerkt werd als een juridische constructie of tussenconstructie, in de mate dat wordt aangetoond dat de door deze entiteit verkregeninkomsten, die reeds in hoofde van een natuurlijke persoon of een in artikel 220 bedoelde rechtspersoon in toepassing van de artikelen 5/1, 18, eerste lid, 3°/1, of 220/1, in België hun belastingregime hebben ondergaan, in deze eerstgenoemde inkomsten voorkomen;
8° meerwaarden op financiële activa als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, verwezenlijkt naar aanleiding van een uitonverdeeldheidtreding die binnen de drie jaar voortvloeit uit een overlijden, een echtscheiding, het einde van een wettelijke samenwoning of het einde van een feitelijke samenwoning.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt verminderd met de vrijgestelde schijf van de meerwaarde overeenkomstig dezelfde bepaling waarvan de belastingplichtige het voordeel heeft genoten in de loop van de vier voorgaande belastbare tijdperken.
Per belastbaar tijdperk kunnen de in het eerste lid, 3°, bedoelde vrijstellingen niet meer bedragen dan 2.426 euro. In voorkomend geval worden de oudste vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 3°, bij voorrang in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, en artikel 5/1, § 1, derde lid, worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd, en worden de inkomsten geacht in België hun belastingregime niet te hebben ondergaan, indien deze buiten het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen of krachtens dit Wetboek of een verdrag worden vrijgesteld.
Art. 102, WIB 92
§ 1. Onder voorbehoud van artikel 102/1, worden de in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde.
Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen de prijs of waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger die financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen.
In afwijking van het tweede lid, wordt onder aanschaffingswaarde begrepen:
a) voor aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten die werden verkregen overeenkomstig de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, de waarde op het moment van de uitoefening van de optie;
b) voor de aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten die werden verkregen overeenkomstig de artikelen 48 tot 49 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, en andere aandelen of met aandelen gelijkgestelde instrumenten ontvangen met prijsreductie, de waarde op het moment van verwerving;
c) voor opties die werden verkregen overeenkomstig de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, het hogere bedrag van ofwel hun marktwaarde op het moment dat ze overdraagbaar worden ofwel hun belastbare bedrag zoals vastgesteld en toegepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 maart 1999;
d) voor aandelen die worden aangehouden ingevolge een inbreng zoals bedoeld in artikel 96/2, 4°, en voor financiële activa die worden aangehouden ingevolge een uitonverdeeldheidtreding zoals bedoeld in artikel 96/2, 8°, de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijk gehoudenaandelen of financiële activa;
e) voor de overgedragen aandelen van een vennootschap die bij een eerdere verrichting van vereenvoudigde zusterfusie als overnemende vennootschap werd aangeduid, de waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger deze overgedragen aandelen onder bezwarende titel heeft verkregen, verhoogd met de waarde waartegen de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger de aandelen van elke overgenomenvennootschap onder bezwarende titel heeft verkregen.
Wanneer de belastingplichtige meerdere achtereenvolgens verkregen identieke financiële activa aanhoudt, wordt het eerst verkregen financieel actief geacht het eerst overgedragen financieel actief te zijn.
Wanneer de in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn uitgedrukt in vreemde valuta, worden zij omgezet in euro tegen de wisselkoers die geldt op het moment van de aankoop en verwezenlijking van het financieel actief.
Wanneer de aanschaffingswaarde bedoeld in het eerste lid niet op basis van bewijskrachtige gegevens wordt bepaald, stemt de belastbare meerwaarde overeen met de ontvangen prijs of waarde zoals bepaald in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, in het geval zoals bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, wordt de ontvangen prijs of waarde gelijkgesteld met de waarde van het financieel actief op het moment van het met een overdracht ten bezwarende titel gelijkgestelde feit.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, is de prijs of waarde aan dewelke de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger een financieel actief onder bezwarende titel wordt geacht te hebben verkregen, gelijk aan zijn waarde op de eerste dag van de onderwerping van de belastingplichtige aan de personenbelasting in geval van de overbrenging door die laatste van zijn woonplaats of zetel van fortuin naar België.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, wordt de verkrijgingswaarde van de financiële activa die de belastingplichtige aanhield op het moment van de verrichting bedoeld in artikel 92, § 2, 2° bepaald alsof de belastingplichtige het Koninkrijk niet had verlaten.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, mag het bedrag van de aanschaffingswaarde vermeerderd worden met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend bij de effectieve heffing van een buitenlandse belasting die van gelijke aard is als de heffing bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden de in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden op financiële activa die werden ontvangen vóór 1 januari 2026, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs en de waarde van deze financiële activa op 31 december 2025 in hoofde van de belastingplichtige of diens rechtsvoorganger.
Voor de toepassing van het eerste lid, en onder voorbehoud van paragraaf 3, wordt de waarde van financiële activa op 31 december 2025 bepaald op basis van:
1° voor de financiële activa die genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt, de laatste slotkoers van het jaar 2025;
2° voor de financiële activa die niet genoteerd zijn op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare, regelmatig werkende markt, de hoogste van de volgende waardes:
a) de waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel van dezelfde financiële activa tussen volstrekt onafhankelijke partijen, of naar aanleiding van de laatste kapitaalverhoging of van de oprichting van de venootschap die de laatste verhoging van haar kapitaal die plaatsvond van 1 januari 2025 tot 31 december 2025;
b) de waarde die het resultaat is van de toepassing van een waarderingsformule vastgesteld in een contract of in een contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa dat inwerking is op 1 januari 2026;
c) wat aandelen en met aandelen gelijkgestelde instrumenten betreft, het eigen vermogen verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan vier keer de EBITDA, bedoeld in artikel 2759, § 2, derde lid, van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 januari 2026.
In afwijking van het tweede lid, 2°, c), of voor de financiële activa waarbij de methodes zoals opgenomen in het tweede lid niet van toepassing zijn, kan de belastingplichtige hun waarde vaststellen als zijnde gelijk aan hun waarde op 31 december 2025, zoals bepaald uiterlijk op 31 december 2027 door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant, waarbij geen van beiden de gebruikelijke beroepsbeoefenaar mag zijn.
Voor de overdrachten die plaatsvinden tot 31 december 2030 van financiële activa die vóór 1 januari 2026 zijn verworven, kan op verzoek van de belastingplichtige, in afwijking van het eerste lid, de meerwaarde worden begrepen als het positieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs en de aanschaffingswaarde van deze financiële activa zoals aangetoond door de belastingplichtige. In dat geval wordt, in afwijking van paragraaf 1, vierde lid, de meerwaarde berekend rekening houdende met de gemiddelde aankoopwaarde per financieel actief dat door de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger werd aangehouden vóór 31 december 2025.
§ 5. De in artikel 90, eerste lid, 9°, a), b) of c), bedoelde meerwaarden worden verminderd met de minderwaarden die werden verwezenlijkt door dezelfde belastingplichtige in de loop van hetzelfde belastbare tijdperk binnen dezelfde categorie van financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a), b) of c).
De minderwaarde is het negatieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de aanschaffingswaarde voor zover deze aanschaffingswaarde wordt bewezen door de belastingplichtige op basis van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Voor de financiële activa die werden verkregen voor 1 januari 2026 is de minderwaarde het negatieve verschil tussen de in geld, in effecten of in enige andere vorm als vergoeding voor de overgedragen financiële activa ontvangen prijs of waarde en de waarde van deze financiële activa op 31 december 2025.
Art. 102/1, WIB 92
§ 1. De in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden op financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), worden in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden en het totaal van de gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Wanneer de in deze paragraaf bedoelde bedragen zijn uitgedrukt in vreemde valuta, worden ze omgezet in euro tegen de wisselkoers op het moment van betaling van de premies en de uitkering van de kapitalen en afkoopwaarden.
Wanneer het bedrag van de gestorte premies bedoeld in het eerste lid niet op basis van bewijskrachtige gegevens wordt bepaald, stemt de belastbare meerwaarde overeen met de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden zoals bedoeld in het eerste lid.
§ 2. In geval van verplaatsing door de belastingplichtige van zijn woonplaats of zetel van fortuin naar België worden de meerwaarden bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, op financiële activa die onder het toepassingsgebied van artikel 92, § 1, b), vallen, in afwijking van paragraaf 1, inaanmerking genomen naar het positieve verschil tussen enerzijds de uitgekeerde kapitalen of afkoopwaarden en anderzijds de waarde van de financiële activa zoals bepaald in het tweede lid vermeerderd met het totaal van de vanaf die dag gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de waarde van de financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), gelijk aan de inventarisreserve zoals gedefinieerd door bepalingen naar buitenlands recht die vergelijkbaar zijn met bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit op de eerste dag waarop de belastingplichtige onderworpen wordt aan de personenbelasting bij eenverplaatsing van zijn woonplaats of zijn zetel van fortuin naar België.
§ 3. In geval van verplaatsing van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland zoals bedoeld in artikel 92, § 2, 2° worden de meerwaarden bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, op financiële activa die onder het toepassingsgebied van artikel 92, § 1, b), vallen, in afwijking van paragraaf 1, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen de waarde van de financiële activa zoals bepaald in het tweede lid en het totaal van de gestorte premies op het moment van verplaatsing van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland, in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Voor de toepassing van het eerste lid is de waarde van de financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), gelijk aan de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht, op het moment van het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, wordt het bedrag van de gestorte premies zoals bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, op het moment van de verrichting bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, bepaald alsof de belastingplichtige het Koninkrijk niet had verlaten.
In de situaties bedoeld in artikel 413/1, § 6, zesde lid, 1°, mag het bedrag van de aanschaffingswaarde vermeerderd worden met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend bij de effectieve heffing van een buitenlandse belasting die van gelijke aard is als de heffing bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden de in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden op financiële activa als bedoeld in artikel 92, § 1, b), die werden gesloten vóór 1 januari 2026, in aanmerking genomen naar het positieve verschil tussen enerzijds de uitgekeerde kapitalen en afkoopwaarden en anderzijds de waarde van de financiële activa op 31 december 2025. Deze waarde wordt verhoogd met de premies gestort vanaf 1 januari 2026 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de financiële activa op 31 december 2025 bepaald op basis van de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht op 31 december 2025 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premiesgestort tot 31 december 2025 niet reeds is afgekocht na 31 december 2025.
Voor de overdrachten die plaatsvinden tot 31 december 2030 van financiële activa als bedoeld in artikel 92, § 1, b), die vóór 1 januari 2026 zijn gesloten, kan de waarde van deze financiële activa op 31 december 2025, op verzoek van de belastingplichtige, worden begrepen als het totaal van de tot 31 december 2025 gestorte premies zoals aangetoond door de belastingplichtige, in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat inverhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
§ 5. De minderwaarde op financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, b), is het negatieve verschil tussen de uitgekeerde kapitalen of afkoopwaarden en de aanschaffingswaarde voor zover deze aanschaffingswaarde wordt bewezen door de belastingplichtige op basis van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Onder aanschaffingswaarde wordt begrepen het totaal van de gestorte premies in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Voor de financiële activa als bedoeld in artikel 92, § 1, b), die werden gesloten vóór 1 januari 2026 is de aanschaffingswaarde, in afwijking van het eerste lid, de inventarisreserve zoals gedefinieerd in bijlage 2, punt 28, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit of gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht op 31 december 2025 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaardeopgebouwd door de premies gestort tot 31 december 2025 niet reeds is afgekocht na 31 december 2025. De inventarisreserve wordt verhoogd met de premies gestort vanaf 1 januari 2026 in de mate dat het kapitaal of de afkoopwaarde dat in verhouding staat tot de premies niet reeds is afgekocht.
Art. 129/1, WIB 92
Wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de in de artikelen 21, eerste lid, 5°, 10° en 14°, 37, tweede lid, tweede streepje, 38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, en 29°, 51, 86, eerste lid, 87, tweede lid, 88, eerste lid, 96/2, eerste lid, 1° tot 3°, en 126, § 2,eerste lid, 4° vermelde bedragen, na toepassing van artikel 178, evenals de in artikel 38, § 1, eerste lid, 30°, vermelde aantallen uren verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk uitgedrukt in maanden ten opzichte van 12 maanden.
…
Art. 171, WIB 92
In afwijking van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 156, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting Staat op de andere inkomsten, meer bedraagt dan de overeenkomstig de voormelde artikelen bepaalde belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°,en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, vermeerderd met de belasting Staat met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten:
1° tegen een aanslagvoet van 33 %:
a) de in artikel 90, eerste lid, 1°, 9°, a), en 12°, vermelde diverse inkomsten;
…
2° tegen een aanslagvoet van 10 %:
…
e) de in artikel 90, eerste lid, 9°, c), bedoelde meerwaarden;
f) de schijf boven 10.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden;
…
4° tegen een aanslagvoet van 16,5 %:
…
e) de in artikel 90, eerste lid,(…) 10°, vermelde meerwaarden;
…
l) in afwijking van de bepalingen onder 2°, f), 9°, 10° en 11°, de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden op aandelen die rechten in een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen verwezenlijkt bij de overdracht aan een in artikel 227, 2° of 3°, bedoelde rechtspersoon waarvan de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is gevestigd.
…
9° tegen een aanslagvoet van 1,25 pct., de schijf tot 2.500.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden;
10° tegen een aanslagvoet van 2,5 pct., de schijf van 2.500.000 tot 5.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden;
11° tegen een aanslagvoet van 5 pct., de schijf van 5.000.000 tot 10.000.000 euro van de in artikel 90, eerste lid, 9°, b), bedoelde meerwaarden.
Art. 178, WIB 92
…
§ 5. In afwijking van paragraaf 1, worden de volgende bedragen niet geïndexeerd:
…
4° de in de artikelen 96/2, eerste lid, 1°, 171, 2°, f), en 171, 9° tot 11°, bedoelde bedragen.
…
Art. 184, WIB 92
…
In geval van een inbreng van aandelen waarvoor de meerwaarden ofwel zijn vrijgesteld krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, en niet vallen onder de vrijstelling van meerwaarden op aandelen bepaald in artikel 192, ofwel zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 96/2, eerste lid, 4°, of artikel 228, § 2, 9°, h, is het gestort kapitaal naar aanleiding van ruil van nieuwe aandelen uitgegeven door de inbrengverkrijgende vennootschap gelijk aan de aanschaffingswaardein voorkomend geval met toepassing van artikel 102, tweede lid, van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger. Bij gebrek hieraan, wordt het gestort kapitaal geacht overeen te stemmen met de waarde van het gestort kapitaal dat door de ingebrachte aandelen wordt vertegenwoordigd, in het totaal gestort kapitaal van de vennootschap waarvan ze de vertegenwoordiging zijn. Voor het overige wordt deze inbreng als een belaste reserve aangemerkt.
…
Art. 228, WIB 92
…
§ 2. In de in § 1 bedoelde inkomsten zijn begrepen:
…
9° diverse inkomsten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1° tot 12°, in geval het betreft:
…
h) (…)
…
Art. 232, WIB 92
Voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 1°, wordt de belasting gevestigd:
…
2° op het totale bedrag van hun inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen, van hun in artikel 228, § 1, bedoelde beroepsinkomsten en van hun in artikel 228, § 2, 9°, a/1, bedoelde inkomsten wanneer zij:
a) beschikken of geacht worden te beschikken over één of meer Belgische inrichtingen;
b) in België inkomsten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3°, a en e, 4°, 5°, 6°, 7°, 7°bis en 9°, a/1 (…);
c) in België persoonlijk een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen gedurende meer dan 30 dagen, te berekenen per tijdperk van 12 opeenvolgende maanden en per schuldenaar van de in artikel 228, § 2, 8°, bedoelde inkomsten.
…
Art. 307, WIB 92
…
§ 1/1. De jaarlijkse aangifte in de personenbelasting moet het volgende vermelden:
…
Wanneer een rijksinwoner artikel 96/2, eerste lid, 2° of 3°, of de hogere aanschaffingswaarde bedoeld in de artikelen 102, § 4, vierde lid en 102/1, § 4, derde lid, of verrekening van de minderwaarden bedoeld in de artikelen 102, § 5 en 102/1, § 5, wenst toe te passen voor meerwaarden waarvoor in toepassing van artikel 261 roerende voorheffing is ingehouden, vraagt hij de verrekening en, desgevallend, de terugbetaling van die roerende voorheffing in zijn aangifte in de personenbelasting voor het belastbare tijdperk waarin die meerwaarden werden verwezenlijkt. Deze vraag wordtgestaafd met bewijsstukken, die ter beschikking worden gehouden van de administratie.
De Koning bepaalt de manier waarop de in het derde en vierde lid bedoelde bewijzen worden geleverd.
…
Art. 313, WIB 92
De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn er niet toe gehouden in hun jaarlijkse aangifte in de voormelde belasting de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, noch de in artikel 90, eerste lid, 6°, 9° en 11°, bedoelde inkomsten te vermelden waarvoor daadwerkelijk roerende voorheffing werd ingehouden of waarvoor een fictieve roerende voorheffing verrekenbaar is krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen, noch die welke krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld met uitzondering van de vrijstelling bedoeld in artikel 265/1, behalve indien het gaat om:
…
7° in artikel 90, eerste lid, 9°, bedoelde meerwaarden die verwezenlijkt worden op financiële activa bedoeld in artikel 92, § 1, c) en d).
…
Art. 326bis, WIB 92
§ 1. Iedere persoon, die een verrichting zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a) of b), bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert, is gehouden om de in paragraaf 3 bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis, bezit of controle heeft te verstrekken uiterlijk de laatste dag van februari van het jaar volgend op het jaar van de uitvoering van de verrichting zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a) of b).
§ 2. De persoon, bedoeld in paragraaf 1, dient te voldoen aan ten minste één van de volgende aanvullende voorwaarden opdat de in paragraaf 1 bedoelde verplichting toepassing vindt:
1° fiscaal inwoner van België zijn;
2° beschikken over een vaste inrichting in België via welke de diensten in verband met de verrichtingen bedoeld in paragraaf 1 worden verleend;
3° opgericht zijn in België of onder de toepassing vallen van de Belgische wetten;
4° ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in België.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen betreffen de volgende elementen:
1° de in geld, in effecten of in enige andere vorm voor de overgedragen financiële activa verkregen prijs;
2° de identificatiegegevens, zoals bedoeld in artikel 307, § 2/2, tweede lid, a) en b), van de kopers en de verkopers.
Met als enig doel aan de verplichtingen van dit artikel te voldoen, hebben de in paragraaf 1 bedoelde personen de toelating om het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen of van het wachtregister te gebruiken om de belastingplichtige te identificeren voor wie zij een verrichting bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, a) of b), aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of de implementatie ervan beheren.
§ 4. Wanneer meerdere personen zoals bedoeld in paragraaf 1 betrokken zijn bij dezelfde verrichting, moeten alle betrokken personen de in paragraaf 1 bedoelde inlichtingen over deze verrichting verstrekken.
Een persoon is ontheven van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen indien hij een schriftelijk bewijs kan voorleggen dat een andere persoon de inlichtingen zoals bedoeld in paragraaf 3 reeds heeft verstrekt.
Wanneer een persoon bedoeld in paragraaf 1, die geen advocaat is, gebonden is door een beroepsgeheim, is hij gehouden de andere betrokken personen zoals bedoeld in paragraaf 1 schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen dat hij niet aan de meldingsplicht kan voldoen, waardoor deze meldingsplicht automatisch rust op de andere betrokken personen.
§ 5. De Koning bepaalt het formulier waarmee de personen bedoeld in paragraaf 1 de verplichting opgenomen in deze bepaling moeten naleven.
Art. 413/1, WIB 92
…
§ 6. Een uitstel van betaling wordt toegekend op het resterend verschuldigde gedeelte van de inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de verwezenlijkte meerwaarden in de gevallen bedoeld in artikel 92, § 2, 2°, en 222/1, tweede lid, indien de belastingplichtige zijn woonplaats, zetel van fortuin of zetel van beheer of bestuur heeft verplaatst naar een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere lidstaat van de EuropeseEconomische Ruimte of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen die voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand heeft afgesloten.
Het in het eerste lid bedoelde uitstel van betaling vervalt wanneer:
1° de financiële activa onder bezwarende titel overgedragen worden of het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten, of;
2° de belastingplichtige zijn fiscale woonplaats heeft buiten een lidstaat van de Europese Unie, een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee België een overeenkomst tot vermijding van dubbele belastingen dat voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijds invorderingsbijstand heeft afgesloten en niet voldaan wordt aan de in het derde lid bedoelde voorwaarde.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 92, § 2, 2°, en 222/1, tweede lid, kan op het verzoek van de belastingplichtige wiens woonplaats, zetel van fortuin of zetel van beheer of bestuur werd overgedragen naar een andere dan in het eerste lid bedoelde Staat, een uitstel van betaling worden toegekend indien deze belastingplichtige een afdoende zekerheid tot betaling van het verschuldigde bedrag verstrekt.
Het toegekende uitstel van betaling als bedoeld in het derde lid vervalt wanneer de financiële activa onder bezwarende titel overgedragen worden of het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten.
Het behoud van het uitstel van betaling als bedoeld in het eerste en het derde lid wordt jaarlijks onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige een attest bezorgt waarin hij bevestigt niet te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk het tweede lid of het vierde lid.
De betalingsverplichting waarop het uitstel van betaling overeenkomstig het eerste en het derde lid van deze bepaling werd toegekend, vervalt:
1° hetzij wanneer de belastingplichtige zijn woonplaats, zetel van fortuin of zetel van bestuur of beheer binnen de 24 maanden opnieuw in België vestigt;
2° hetzij na het verstrijken van een periode van 24 maanden na de overdracht van zijn woonplaats, zetel van fortuin of zetel van bestuur of beheer naar het buitenland.
Wanneer de in het tweede lid, 1°, bedoelde situatie zich voordoet, vervalt het uitstel van betaling ten belope van het nog verschuldigde gedeelte van de inkomstenbelasting dat betrekking heeft op de financiële activa die onder bezwarende titel zijn overgedragen of die het voorwerp uitmaken van een zakelijke zekerheidsovereenkomst op financiële instrumenten. Wanneer in het tweede lid, 2°, bedoelde situatie zich voordoet, vervalt het uitstel van betaling volledig.
De Koning bepaalt welke elementen het in het vijfde lid bedoelde attest moet bevatten, alsook binnen welke termijn de belastingplichtige dit attest aan de administratie moet bezorgen.
Art. 466, WIB 92
…
Het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bedrag wordt evenwel verminderd met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de roerende inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, die geen beroepskarakter hebben, evenals met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde roerende inkomsten, en met het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op de diverse inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°.
Interne ref.: 749.427
Inkomstenjaar / Aanslagjaar | Basisvrijstelling | Aanvullende vrijstelling |
2026 / 2027 | 10.000 euro | — |
2027 / 2028 | 10.200 euro | 1.000 euro |
2028 / 2029 | 10.400 euro | 1.020 euro |
2029 / 2030 | 10.600 euro | 1.040 euro |
2030 / 2031 | 10.800 euro | 1.060 euro |
2031 / 2032 | 11.000 euro | 1.080 euro |
2032 / 2033 | 11.200 euro | 1.100 euro |
2033 / 2034 | 11.400 euro | 1.120 euro |
Verkoopprijs op: a) 30.06.2030 b) 15.02.2033 | Waarde op31.12.2025 | Werkelijke aankoopprijs (datum vóór 01.01.2026) | |
Situatie 1 | 1.000 | 500 | 600 |
Situatie 2 | 1.000 | 500 | 1.100 |
Situatie 3 | 1.600 | 2.000 | 1.000 |
Situatie 4 | 1.500 | 2.000 | 1.750 |
Titel : Circulaire 2026/C/74 over de belasting op meerwaarden op financiële activa in de personenbelasting
Samenvatting : Deze circulaire bespreekt de art. 1 t.e.m. 16, 20, 21, 28 t.e.m. 33 en 35 van de wet van 06.04.2026 tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa (BS 21.04.2026 – Numac: 2026002780).
Trefwoorden :inkomstenbelastingpersonenbelastingbedrag van de belastingdiverse inkomstenmeerwaardebelastingaanmerkelijk belanguitstel van betalinginterne meerwaardeexittaks
Datum van het document : 22/07/2026
Datum Fisconetplus : 22/07/2026