• FR
  • NL
  • EN

Cassatie bevestigt: fiscus moet toestemming belastingplichtige bij visitatie bewijzen

In een baanbrekend recent arrest dat ons kantoor heeft behaald, bevestigt het Hof van Cassatie dat de fiscus bij een fiscale visitatie niet kan volstaan met de vaststelling dat een aanwezige werknemer de ambtenaren heeft binnengelaten of niet heeft geprotesteerd. Op grond van artikel 319 WIB92 en artikel 63 WBTW is een voorafgaande toestemming vereist, en bij een vennootschap moet die toestemming uitgaan van een bevoegd orgaan, een gevolmachtigde of een persoon van wie de fiscus redelijkerwijze mocht aannemen dat hij bevoegd was. Het bewijs daarvan rust bij de administratie.

Context: de vereiste van de toestemming van de belastingplichtige

De fiscus kan in het kader van een controle inzake inkomstenbelasting of btw vragen om toegang te krijgen tot de beroepslokalen van een belastingplichtige. Deze visitatiemogelijkheid vindt zijn wettelijke grondslag onder meer in artikel 319 WIB92 en artikel 63 WBTW. Voor geïnformatiseerde gegevens en kopienames zijn daarnaast onder meer artikel 315bis WIB92 en artikel 61 WBTW relevant.

Die bepalingen leggen een medewerkingsplicht op aan de belastingplichtige, maar geven de fiscus geen recht om zich met dwang toegang te verschaffen tot bedrijfslokalen. Dat werd reeds bevestigd door het Hof van Cassatie in de arresten van 16 juni 2023 en 6 oktober 2023. De toestemming van de belastingplichtige is dus noodzakelijk en moet bovendien blijvend aanwezig zijn: wanneer de toestemming wordt ingetrokken, moet de visitatie worden stopgezet.


De fiscus draagt de bewijslast

In een recent arrest van 23 april 2026 heeft het Hof van Cassatie opnieuw de grenzen van de fiscale visitatie scherp gesteld. Nadat het Hof eerder al had geoordeeld dat een fiscale visitatie niet kan plaatsvinden zonder toestemming van de belastingplichtige, bevestigt het nu uitdrukkelijk dat de fiscus ook moet bewijzen dat die toestemming voorafgaand werd gegeven door de belastingplichtige zelf, zijn gemachtigde of een persoon van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten aannemen dat deze daartoe bevoegd was.

De administratie verdedigde in essentie dat de toestemming mag worden vermoed wanneer de ambtenaren toegang krijgen tot de lokalen en de aanwezige werknemer geen verzet formuleert. Volgens die redenering zou de belastingplichtige nadien moeten aantonen dat geen geldige toestemming werd gegeven of dat hij zich tegen de visitatie heeft verzet. Het Hof van Cassatie volgt die redenering niet. De medewerkingsplicht van de belastingplichtige creëert geen vermoeden van toestemming.

Het Hof van Cassatie bevestigt ook dat de feitenrechter wettig kon oordelen dat geen geldige toestemming was verleend wanneer niet wordt bewezen dat de aanwezige werknemer gemachtigd was om de vennootschap te vertegenwoordigen. In de zaak waarover het Hof zich uitsprak, werd onder meer vastgesteld dat geen volmacht voorlag, dat geen afzonderlijke verklaring of verhoor het mandaat aantoonde, en dat het niet-verzet van de aanwezige werknemer niet kon worden toegerekend als toestemming van de vennootschap zelf


Processen-verbaal bewijzen niet alles

Het Hof verduidelijkt ook de bewijswaarde van fiscale processen-verbaal. Op grond van artikel 59, § 1, tweede lid WBTW en artikel 340, tweede lid WIB92 hebben fiscale processen-verbaal bijzondere bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Die bewijswaarde geldt echter enkel voor de feitelijke vaststellingen die de ambtenaren zelf hebben gedaan. De bijzondere bewijswaarde geldt niet voor de inhoud of de juridische draagwijdte van verklaringen die in het proces-verbaal worden opgenomen.

Wanneer in een proces-verbaal wordt vermeld dat een werknemer zou hebben verklaard gemachtigd te zijn om de vennootschap te vertegenwoordigen, bewijst dat dus niet automatisch dat er ook effectief een rechtsgeldig mandaat bestond. De administratie moet dat mandaat of minstens de redelijke schijn van bevoegdheid kunnen aantonen


Belang voor de praktijk

Dit arrest heeft een aanzienlijke praktische relevantie, omdat fiscale visitaties vaak gepaard gaan met verregaande onderzoeksdaden, zoals de kopiename van digitale gegevens, mailboxen of andere bedrijfsdata. Net daarom is de voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming geen loutere formaliteit, maar een wezenlijke voorwaarde voor de regelmatigheid van het onderzoek.

Hoewel de feiten uit dit dossier dateren voor de invoering van de zogenaamde fiscale dwangsommogelijkheid in geval van niet-medewerking door de belastingplichtige (artikel 381 WIB92), doet deze dwangsombepaling geen afbreuk aan de uiteengezette principes in dit arrest.

De boodschap van het Hof van Cassatie is duidelijk: geen fiscale visitatie zonder bewezen voorafgaande toestemming van een bevoegde of gemachtigde persoon. De belastingplichtige heeft in een fiscaal onderzoek niet alleen plichten, maar ook rechten. Die rechten moeten vanaf het eerste contact met de administratie worden bewaakt.

Indien u advies wenst over uw rechten en/of bijstand bij controles door de fiscus, kan u steeds contact opnemen met ons gespecialiseerd procedureteam of onze praktische leidraad bij fiscale visitatie consulteren. Uit de praktijk blijkt overigens dat een preventieve analyse van uw situatie zorgt voor de nodige weerbaarheid tegen disproportionele/onwettige controles.




Mots clés

Articles recommandés