
De Minister van Financiën heeft recent toelichting gegeven bij de toepassing van de zogenaamde decumulregeling op inkomsten uit auteursrechten, met wanneer deze toekomen aan gezamenlijk belaste echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel. De verklaring komt er naar aanleiding van een parlementaire vraag over de wijze waarop deze inkomsten, die fiscaal het karakter van roerende inkomsten kunnen hebben, dienen te worden aangegeven.
De bijzondere fiscale regeling voor auteursrechten houdt in dat bepaalde inkomsten, tot een bepaald grensbedrag, als roerende inkomsten kunnen worden beschouwd. In dat geval worden deze inkomsten afzonderlijk belast tegen een gunsttarief van 15% in hoofde van natuurlijke personen. Voor het aanslagjaar 2026 bedraagt het geïndexeerde grensbedrag voor deze regeling 75.360 euro. De regeling voorziet eveneens in een forfaitaire kostenaftrek van 50 % op de eerste schijf van 20.100 euro en 25% op de daaropvolgende schijf tot 40.190 euro.
Echtgenoten die gezamenlijk worden belast, worden fiscaal als afzonderlijke belastingplichtigen behandeld, waarbij het belastbaar inkomen per partner apart wordt vastgesteld, ondanks dat er één gemeenschappelijke aanslag wordt opgemaakt.
Voor wat betreft roerende inkomsten betekent dit concreet dat elke partner de inkomsten opneemt die hem of haar toekomen op basis van het vermogensstatuut. Inkomsten die voortvloeien uit eigen vermogensbestanddelen worden volledig aan de betrokken partner toegerekend. Roerende inkomsten die betrekking hebben op gemeenschappelijke vermogensbestanddelen worden daarentegen geacht bij helften aan elk van de echtgenoten toe te behoren. Elk van hen dient in dat geval de helft van deze inkomsten op te nemen in de aangifte.
De Minister van Financiën verduidelijkt dat bij gezamenlijk belaste echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, de fiscale behandeling van inkomsten uit auteursrechten op een specifieke wijze moet gebeuren. Allereerst moet per echtgenoot afzonderlijk worden beoordeeld of de ontvangen inkomsten nog als roerende inkomsten kwalificeren, dan wel geheel of gedeeltelijk als beroepsinkomsten moeten worden beschouwd.
Indien sprake is van roerende inkomsten, dient vervolgens per echtgenoot het brutobedrag en het bijbehorende forfaitaire kostenbedrag te worden vastgesteld. Wanneer (een deel van) de auteursrechten tot het gemeenschappelijk vermogen behoort – wat doorgaans het geval is binnen het wettelijk stelsel – moeten zowel het brutobedrag van deze inkomsten als het bijbehorende kostenforfait proportioneel, met andere woorden gelijkelijk (50/50) , over beide echtgenoten worden verdeeld. Deze werkwijze wordt ondersteund door de administratieve commentaren bij het Wetboek Inkomstenbelastingen. Indien de echtgenoten echter gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, behoren de roerende inkomsten uitsluitend toe aan de auteur. In dat geval is er geen sprake van gemeenschappelijk vermogen en dienen de inkomsten noch het kostenforfait niet verdeeld te worden tussen de echtgenoten. De volledige bruto-inkomsten en het bijhorende forfaitair kostenbedrag worden dan volledig aan één echtgenoot toegekend.
We illustreren bovenstaande zienswijze met het volgende cijfervoorbeeld. Een auteur, gehuwd onder het wettelijk stelsel, ontvangt gedurende 2025 (aanslagjaar 2026) 50.000 euro aan inkomsten uit auteursrechten. Deze rechten vallen in het gemeenschappelijk vermogen. Volgens de zienswijze van de Minister moeten op het volledige bedrag van 50.000 euro eerst de forfaitaire kosten worden toegepast, namelijk 50 % op de eerste schijf van 20.100 euro en 25 % op de daaropvolgende schijf van 20.090 euro. Dit resulteert in een totale forfaitaire kostenaftrek van 15.072,50 euro (10.050,00 euro + 5.022,50 euro). Nadien worden zowel het brutobedrag van 50.000 euro als het forfait van 15.072,50 euro gelijk verdeeld over beide echtgenoten: elk geeft dus 25.000 euro aan bruto-auteursrechten aan, met een corresponderend kostenforfait van 7.536,25 euro.
Deze verduidelijking van de Minister bevestigt dat de principes van de decumulregeling onverkort van toepassing blijven op het bijzonder fiscaal statuut van auteursrechten. Tegelijk onderstreept zij het belang van een correcte vermogensrechtelijke kwalificatie van de inkomsten om de fiscale behandeling per echtgenoot correct toe te passen.
Belastingplichtigen die inkomsten uit auteursrechten ontvangen, doen er goed aan om bij de aangifte aandachtig na te gaan tot welk vermogen deze inkomsten behoren. Bij een gemeenschappelijk vermogen (zoals meestal onder het wettelijk stelsel) moeten de inkomsten en het kostenforfait gelijk worden verdeeld tussen beide echtgenoten. Enkel wanneer de inkomsten uit auteursrechten tot het eigen vermogen behoren (bijvoorbeeld bij scheiding van goederen), mogen de inkomsten volledig aan één partner worden toegerekend. Een correcte vermogensrechtelijke inschatting is dus cruciaal voor een juiste fiscale aangifte.